Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen

Walcherse verhalen

Demografie van Walcheren


Op 19 april 2012 hield Leo Hollestelle een lezing voor de leden van de Heemkundige Kring over de historische demografie van Walcheren, 1795-1940. Hij belichtte diverse aspecten van de historische demografie, zoals het verloop van de bevolking, de ontwikkeling van geboorte, huwelijk- en overlijden, de migratie, de beroepsbevolking, kerkgenootschappen en de verspreiding van familienamen over het voormalige eiland en over de voormalige gemeenten.


De bevolking van Walcheren in de periode 1795-1940
Vanaf de Franse Tijd is de overheid steeds meer gaan registreren. De Fransen introduceerden in 1811 de burgerlijke stand waarmee de registratie van geboorten, huwelijksvoltrekkingen en overlijden van alle inwoners van ons land werd vastgelegd. Daarnaast legden de Fransen ook de basis voor statistische gegevens over de bevolking, die na hun vertrek in 1814 door rijk, provincies en gemeenten werden opgemaakt. Die basisgegevens zijn intussen gedigitaliseerd en via het internet toegankelijk gemaakt. De Volkstellinggegevens uit het verleden zijn bij het Centraal Bureau voor de Statistiek vrij te raadplegen. De eerste volkstelling dateert uit 1795. Daarna werd er vanaf 1830 tot 1971 elke tien jaar een volkstelling gehouden. Daarnaast is er de Historische Steekproef van de Nederlandse Bevolking waarin de levensgeschiedenissen van 78.000 Nederlanders geboren tussen 1812 en 1922 zijn opgenomen, waaronder 4.500 Zeeuwen. Al deze registraties zijn belangrijke bronnen voor historisch-demografisch onderzoek. In dat onderzoek zoekt men niet alleen naar kwantitatieve gegevens die aangeven welke veranderingen er optraden in de omvang van de bevolking door geboorte, sterfte en migratie, maar probeert men ook vanuit verschillende gezichtspunten (geschiedenis, sociologie, economie) een verklaring te vinden voor die veranderingen, bijvoorbeeld voor veranderingen in de sociale verhoudingen, in levensstijlen en in de arbeidsmarkt. In het tijdschrift Zeeland wordt met enige regelmaat over deze onderwerpen Zeeuwsbreed gepubliceerd.

Leo Hollestelle geeft ons vanavond een voorbeeld van zulk historisch-demografisch onderzoek toegespitst op de Walcherse bevolking in de periode 1795-1940. Hij geeft aan dat het bevolkingsverloop door verschillende factoren wordt beïnvloed namelijk migratie, voedselprijzen, epidemieën, oorlog, infrastructuur, grond- en pachtprijzen, het weer en de hygiëne. Om dat te illustreren laat hij ons de ontwikkelingen zien in de grote momenten in het leven, te weten geboorte, huwelijk, sterfte en migratie. Wat komen we daarbij te weten?

Bevolkingstoename Walcheren
Het is opmerkelijk dat de bevolkingsgroei van Zeeland op het conto komt van Walcheren, Zuid-Beveland en het oosten van Zeeuws-Vlaanderen. Hier is de bevolking in 200 jaar verdrie- of zelfs verviervoudigd. In de overige Zeeuwse gebieden: Noord-Beveland, het westen van Zeeuws-Vlaanderen, Tholen en Schouwen-Duiveland is de bevolking in 200 jaar nauwelijks toegenomen. Het lijkt erop dat de aanwezigheid van grote steden een rol speelt. Dat is maar ten dele juist, in de Franse tijd daalde de bevolking van Middelburg en Vlissingen aanvankelijk sterk, maar daarna is er sprake van groei en kon Middelburg zich herstellen terwijl vooral de bevolking van Vlissingen sterk toenam (een verzesvoudiging tussen 1820-1960). Omstreeks 1880, met name nadat de aanleg van het kanaal door Walcheren was voltooid, is sprake van een groeiversnelling: de bevolking neemt in de jaren daarna sterker toe dan in de voorafgaande periode. Dat had alles te maken met de landbouwcrisis in Europa, dalende landbouwprijzen met als gevolg daarvan sterke mechanisering van de landbouw en enige ontvolking van het platteland. Vooral Vlissingen, met scheepswerf De Schelde, profiteerde van de opkomst van nieuwe industrieën. Na Tweede Wereldoorlog neemt de bevolking van Vlissingen en ook die van Middelburg weer sterk toe. Vlissingen is gemeten over de jaren 1830-1940 de dichtstbevolkte plek van Walcheren; er wonen gemiddeld bijna 1900 mensen per vierkante kilometer, terwijl in diezelfde periode Vrouwenpolder en Gapinge met 54 personen per vierkante kilometer het dunst bevolkt zijn.

Hoe nu verliep die bevolkingsgroei op Walcheren? Leo Hollestelle gaat dat na aan de hand van cijfers over geboorte, huwelijk, overlijden en migratie, de deelfactoren die samen de bevolkingsgroei bepalen.

Geboorten en huwelijken
Na de Franse tijd neemt het aantal geboorten per jaar licht toe met een flinke piek aan het einde van de negentiende eeuw. Gemiddeld genomen worden er op Walcheren zo’n 1.500 kinderen per jaar geboren. De Belgische opstand in 1830 en de hongerwinter van 1845/46 zorgen voor duidelijke dalingen. Dat komt weer terug in de Tweede Wereldoorlog. Het Kanaal door Walcheren zorgt voor een piekje in 1877, evenals het einde van de Eerste en later van de Tweede Wereldoorlog. Kijken we per jaar dan worden de meeste kinderen geboren in januari en september, ofwel er lijkt sprake van een voorjaarsconceptie en een winterconceptie. In de zomer en het najaar had men het kennelijk te druk met andere bezigheden.

Huwelijk en geboorte volgen elkaar veelal op. Er is dan ook een sterke samenhang: een piek in het aantal huwelijken na de Franse tijd, een dal in het aantal huwelijken na de Belgische opstand en ook beide wereldoorlogen zorgen voor dalen, en voor pieken na afloop ervan. Het aantal huwelijken in de negentiende eeuw neemt toe van 300 tot 400 per jaar en neemt in de twintigste eeuw nog wat sterker toe naar een voorlopig hoogtepunt in de zeventiger jaren van 900 huwelijken. Mei was een populaire maand om te trouwen maar ook wel oktober, dus na Liesjesdag wanneer de contracten van de knechten en meiden afliepen, c.q. vernieuwd moesten worden. De huwelijksleeftijd lag gemiddeld op 26, 27 jaar, maar met grote variaties getuige de 15-jarige bruid en haar 16-jarige bruidegom. En ook (her)trouwen op hoge leeftijd was niet zeldzaam. Wel zeldzaam zal het huwelijk geweest zijn (in 1831) tussen de 24-jarige koperslager uit IJsselstein met zijn 70-jarige Walcherse bruid.

Endogamie betekent dat men veelal trouwt met een partner uit de eigen stand, met hetzelfde geloof, of uit hetzelfde dorp of dezelfde regio. Welnu, dit verschijnsel was in Zeeland en op Walcheren zeer sterk. Men trouwde binnen de eigen stand en binnen de eigen regio. Op Walcheren trouwde 80 procent van de bruiden en bruidegoms met een partner van het eiland. Op het platteland komt men vaak niet verder dan het eigen dorp. Vooral de mannen zijn erg dorpvast, de vrouwen (en die zijn in de periode 1811-1935 in de meerderheid) moeten wat vaker uitwijken naar een bruidegom van elders. Zo nemen in de genoemde periode 100 van de 189 bruidegommen uit Aagtekerke een bruid uit datzelfde dorp, slechts 1 bruidegom zoekt het buiten Walcheren. Van de 299 Aagtekerkse bruiden moeten er dus 199 elders naar een bruidegom zoeken. Domburg en Oostkapelle zijn verreweg favoriet en 5 bruiden vinden een levensgezel buiten Walcheren.
Echtscheidingen zijn tamelijk zeldzaam. Na de Eerste Wereldoorlog en met de opkomst van de vrouwenrechten c.q. de invoering van het kiesrecht voor vrouwen, neemt het aantal echtscheidingen toe, vooral in Middelburg en Vlissingen. Op het platteland van Walcheren zijn tussen 1811 en 1935 slechts 117 huwelijken ontbonden.

Sterfte en migratie
Tussen 1811 en 1980 overlijden er gemiddeld jaarlijks zo’n 1.000 mensen op Walcheren. Maar uiteraard is er in die periode ook sprake van pieken veroorzaakt door ziekten of oorlogen. De negentiende eeuw begint al fors met een piek van bijna 4.000 overlijdensgevallen: flinke aantallen Franse militairen sterven in de hospitalen van Middelburg en Veere. Daarna eisen de Belgische Opstand en de hongerwinter hun tol. De Tweede Wereldoorlog vraagt enkele honderden slachtoffers extra. De cholera-epidemieën in de negentiende eeuw en de Spaanse griep in 1918 gaan grotendeels aan Walcheren voorbij en ook de weersomstandigheden lijken op Walcheren niet veel invloed te hebben gehad. Alleen de zomer van 1911 laat meer overlijdensgevallen zien dan normaal. Overigens was aan het begin van de negentiende eeuw de levensverwachting zeer laag. Een Zeeuwse man werd gemiddeld 30 jaar, een Zeeuwse vrouw slechts anderhalf jaar ouder. Dat was bijna 15 jaar korter dan in overig Zuid-Nederland of Oost-Nederland. Malaria, gebrek aan borstvoeding en verzilting van het oppervlaktewater werden als de boosdoeners gezien. Na 1860 keert het tij: door verbeterde hygiëne, door verstedelijking en verbeterde mobiliteitsmogelijkheden en door economische groei, waardoor de werkloosheid vermindert en de welvaart toeneemt. Ook de kindersterfte, die in Zeeland schrikbarend hoog was, neemt dan af.

Ook migratie zorgt voor veranderingen in de bevolkingsomvang. Binnen Walcheren is er aardig wat arbeidsmigratie: dienstboden bijvoorbeeld trekken van het platteland naar de stad, landarbeiders worden fabrieksarbeider. Relatief veel Zeeuwen hebben in de loop der jaren ook hun heil buiten Walcheren gezocht. Velen van hen zijn naar de USA vertrokken, zowel om godsdienstige redenen (onder hen veel afgescheidenen c.q. gereformeerden) als om economische redenen. De eerste grote trek naar de USA begint na de hongerwinter van 1846. Walcheren neemt in die emigratiestroom een bescheiden plaats in, van alle vertrokkenen in de periode 1839-1918 komt slechts 7 procent van Walcheren, terwijl daar meer dan een kwart van de Zeeuwse bevolking woont. West-Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland leveren respectievelijk ruim 37 procent en ruim 25 procent van de Zeeuwse emigranten. De Walchenaren die vertrekken komen voornamelijk uit Middelburg, Vlissingen en Westkapelle. De rest van het platteland blijft doof voor de lokroep uit den vreemde.

Leo Hollestelle eindigt zijn inleiding met een aantal opmerkingen over de beroepsbevolking. In Zeeuwse huwelijksakten worden ook de beroepen van de bruid en de moeders van het bruidspaar vermeld. Dat laat zien dat de arbeidsparticipatie van vrouwen in de negentiende eeuw hoog was (maar na 1876 afnam). Dat maakt het mogelijk om van de beroepen van bruiden en bruidegoms per stad of dorp beroepenwolken samen te stellen. In zo’n wolk is het beroep weergegeven in een lettergrootte die evenredig is met de frequentie waarmee het beroep voorkomt. Dienstbode is voor de bruid het meest voorkomende beroep. Zo’n wolk kan ook gemaakt worden van de in een stad of dorp voorkomende familienamen. En inderdaad aan de hand van de wolk valt te raden om welke stad of dorp het gaat. Sommigen onder ons waren daar tamelijk bedreven in.

Leo Faase

Terug