Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten

Achter een muurtje ...




”Daer is een volle schat, een wout, een open velt te midden in de stad”

Op zaterdag 1 augustus 1925 verscheen in de Middelburgsche Courant een opmerkelijke ingezonden brief. De brief was geschreven door Reimond Kimpe (1885-1970). Kimpe was toen nog niet de beroemde schilder die hij later in Middelburg en omstreken zou worden. Hij woonde pas een kleine zes jaar in Middelburg. In maart 1919 was hij er met zijn vrouw en enige zoon gearriveerd, komend uit Zeist. Daar was hij begin november 1918 neergestreken, na zijn vlucht uit België eind oktober dat jaar. De Eerste Wereldoorlog naderde zijn einde, een wapenstilstandsverdrag lag in het verschiet. Wie in België als activist met de Duitse bezetter had samengewerkt, moest vrezen voor represailles en strafmaatregelen, zoals was aangekondigd door de Belgische regering die in ballingschap in Le Havre zetelde. Reimond Kimpe was erg actief geweest, hij behoorde tot de radicale vleugel van het activisme.

Vlaamse idealen
Kimpe werd in 1885 geboren in Gent. Na de middelbare school volgde hij een technische opleiding in de weg- en waterbouwkunde. In Gent verkeerde hij in artistieke kringen. Ook met de schilders van Sint Martens-Latem had hij al vroeg intensieve contacten. Hij schreef gedichten en publiceerde die in allerlei studententijdschriften. Als technisch ambtenaar kreeg hij in 1909 een aanstelling in Lier, ten oosten van Antwerpen. Behalve voor de uitoefening van zijn beroep, waarbij hij belast was met het bouwen van een brug over de Nete, was Lier voor de jonge Kimpe de plaats waar hij zich met volle overgave ontwikkelde tot dichter en schrijver van novellen, maar ook filosofisch getinte aforismen en een essay over de moderne Vlaamse schilderkunst. Ook publiceerde hij in die tijd enkele toneelstukken. Zijn ambitie ging zover dat hij vanaf 1907 tot en met 1910 redacteur was van het literaire tijdschrift Nieuw Leven. In deze jaren was Reimond Kimpe al nauw betrokken bij de Vlaamse Beweging die in Gent en Lier harde kernen kende. Kimpe was een van de oprichters van de radicale Lierse tak van de stroming die als Jong-Vlamingen bekend staat. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en België overrompeld werd, legden deze activisten snel contact met de Duitse bezetter om door samenwerking hun Vlaamse idealen te verwezenlijken. De details van die ontwikkeling doen hier niet ter zake en de betrokkenheid van Kimpe evenmin. Maar zijn collaboratie leidde in 1920 bij verstek tot een doodvonnis, uitgesproken door het hof van Assisen in Brussel. Als hij, met vele anderen, tegen het einde van de oorlog niet was gevlucht, had hij in ieder geval tot de zogenaamde uitdovingswet van 1929 gevangen gezeten. Via een omweg kwam hij dus in Middelburg terecht, dat hij kende van enkele reizen. Zo had hij omstreeks 1905 ook Veere bezocht en gezeild op de Zeeuwse wateren.

Den Blauwvoet
Toen Reimond Kimpe zijn brief naar de Middelburgsche Courant schreef, woonde hij aan de Middelburgse Heerengracht op M 39, tegenwoordig nummer 96. Hij had zijn huis in de geest van de flaminganten op zeker moment Den Blauwvoet genoemd, naar een regel uit een gedicht van die andere Vlaamse dichtende strijder, Albert Rodenbach: “Vliegt de Blauwvoet, storm op zee!” Daarvoor heette het huis Tuynzigt en zo heet het vandaag de dag weer.

Vanuit zijn woning keek Kimpe over het water van de Heerengracht, waarin toen doorgaans boomstammen lagen, naar de Penninghoeksingel. Langs dat stuk van de Penninghoeksingel stonden geen woningen maar daar liep een muur van behoorlijke lengte, waarschijnlijk met planten begroeid. Een tuinmuurtje dat er zijn mocht, met een koepel met een deur. Kimpe moet vanuit Den Blauwvoet­ een geweldig uitzicht hebben gehad op het grandioos geboomte achter die muur. Die bomen stonden in een uitgestrekte tuin die hoorde bij een huis in de Lange Noordstraat. Het is wel duidelijk waarom zijn huis eerder Tuynzigt heette.

Krantenbericht
De brief van Kimpe heeft een duidelijk Vlaamse woordkeus, maar dat is voor de redactie kennelijk geen bezwaar geweest. Op welk krantenbericht reageerde Kimpe en wat was er eigenlijk aan de hand?
In de editie van enkele dagen eerder, de Middelburgsche Courant van donderdag 30 juli 1925, had Kimpe gelezen dat die muur tegenover zijn huis met het koepeltje en een groot deel van de tuin zouden verdwijnen. Daar reageerde hij op. Over zijn reactie aanstonds meer, eerst iets over het bericht dat ‘de Middelburger’ nota bene letterlijk en volledig had overgenomen uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In die krant van 29 juli 1925 vindt men een uitvoerig artikel dat, gelet op de details, van een Middelburger moet zijn; een stedeling met kennis van zaken en het hart op de goede plaats. In de NRC begint het verhaal met “Men schrijft ons”, in de Middelburgsche Courant wordt dat “Men schrijft aan de N.R. Crt.” Hier volgt de eerste, ietwat ingekorte alinea.

Aan den stillen Penninghoeksingel te Middelburg door fraai geboomte omgeven, staat een oude muur, waarin een koepeltje is aangebracht, dat, met den forschen stadhuistoren op den achtergrond, niet alleen een alleraardigst stadsgezicht oplevert, maar tevens historische herinneringen wakker roept. Het was op het hierdoor afgesloten terrein dat in het begin van de zeventiende eeuw zich het z.g. groote huis bevond, bewoond door den ridder Pieter Courten. Deze had het oude huis “met de drie torenkens” (…) doen afbreken en er een paleis doen bouwen, dat zijn nieuwen naam in alle opzichten verdiende. Op den plattegrond van Cornelis Goliath ziet men de fonteinen, bloemperken, waranden en verderen aanleg, waardoor het zich van alle andere huizen onderscheidde (…).1

Wie de zeventiende-eeuwse stadsplattegrond van Middelburg van de landmeter en kaartmaker Cornelis Goliath – tevens gewezen baljuw van Domburg – raadpleegt, ziet tussen de muur van de Penninghoeksingel en de Noordstraat inderdaad een uitgestrekte tuin, een immens gebied.

Op de kaartuitsnede ziet men aan de bovenzijde de Heerengracht, met het Sint Jorisbruggetje tegenover de huidige Sint Antheunisstraat. De schoolkrant van de iets verderop gevestigde Christelijke Kweekschool – thans het pand waarin onder andere de Volkssterrenwacht gevestigd is – heette Het Bruggetje, naar dit bouwsel. Die naam zal wel gekozen zijn met een knipoog naar de intermenselijke relaties tussen de kwekelingen van deze school, en niet primair om de mogelijkheid onder de aandacht te brengen dat via dit bruggetje de concurrerende Rijkskweekschool in de Lange Noordstraat bereikt kon worden. Het bruggetje werd later het Smytegeltbruggetje genoemd.

Hortensia del Prato
Zonder de krantenartikelen zou alleen een kenner van de werken van Jacob Cats of een ingewijde stadshistoricus iets zinnigs kunnen beweren over die mooie tuin tussen de huizen en het muurtje met de koepel aan de singel. In het werk van Cats (1577-1660) – die ook in de Lange Noordstraat heeft gewoond en aan de achterzijde een deel van de tuin als uitzicht moet hebben gehad – is een en ander te vinden over de bewoners van “Het Groote Huys” waarbij die uitgestrekte tuin hoorde. In het fragment uit Cats’ Houwelijcx (het vierde boek, daarin het tweede deel “van ’t christelijck huys-wijf vertoont in de gestalte van Vrouwe vergeleken mette somer”) beschrijft Cats een prijzenswaardige vrouw, een vrouw “binnen dese mueren”. Dat zullen wel de stadsmuren van Middelburg zijn. De bezongen vrouw is een licht, een gulden krans. Zo klinkt het bij Cats:

Ick weet een weerde vrouw hier binnen dese mueren,
Een licht, en gulde krans van onse na-gebueren,

Hieruit blijkt dat Cats het over zijn buurvrouw heeft. Die buurvrouw van vier huizen verder (Lange Noordstraat L 127) was Hortensia del Prato (ook: del Prado). Nadat ze weduwe was geworden van Jean Fourmenois, huwde ze met de zeer rijke Pieter Courten (die zich ridder mocht noemen).2 De op het eerste gezicht raadselachtige derde regel van het gedichtfragment van Cats geeft de zekerheid dat deze Hortensia bedoeld is met die “weerde vrouw”. Cats schrijft: “die voert een eygen naem genomen vanden hof”. Prado en Prato is respectievelijk het Spaanse en Italiaanse woord voor hof, tuin, weiland, afkomstig van het Latijnse pratum, net als het Weense Prater. De Del Prato’s kwamen uit Italië en waren via Keulen en Antwerpen in de Noordelijke Nederlanden terechtgekomen. Dus Hortensia’s familienaam Del Prato is ‘van den hof’, wat Cats een uitgekiende mogelijkheid bood tot een digressio, een uitweiding om haar weelderige tuin te beschrijven en de wijze waarop ze die tuin verzorgde, naar alle waarschijnlijkheid niet in haar eentje maar met een groep tuinlieden als (onderbetaalde) assistenten:

Die voert een eygen naem genomen vanden hof,
En daerin scheptse vreucht, niet sonder haren lof:
Daer heeftse menich fruyt uyt alle vreemde landen,
Daer menich aerd-gewas van alle verre stranden,
Daer bloemen sonder naem, daer ongepersten wijn,
Gelijcker dickmael koomt gedreven vanden Rijn;
Daer speelt het geestich nat met hondert water-sprongen,
Daer teelt de gulle visch, de herten krijgen jongen:
Wat dienter veel geseyt? daer is een volle schat;
Een wout, een open velt, te midden inde stadt.

Zomaar midden in de stad Middelburg: een woud, een open veld, met fruitbomen en vruchtgewas uit exotische landen, curieuze bloemen en wijnranken, kennelijk vooral Rijnwijn. Een tuin met water uit vele verrassende fonteinen, met vijvers waar vis gekweekt werd, met herten. Wat moet je er nog meer over zeggen? Daar achter het muurtje aan de Penninghoeksingel lag een paradijs.

Een hevige brand
Een eeuw bleef dit juweel van een stadspaleis met die tuin in handen van de familie Courten. Hortensia del Prato, echtgenote van Pieter Courten, leefde tot 1627. Haar dochter uit haar eerste huwelijk, Catharina Fourmenois, vrouwe van Sint Laurens (1598-1665), trouwde in 1618 met Pieter Boudaen Courten (1594-1668).3 Deze was de zoon van Matthias Boudaen en Margaretha Courten. Door de huwelijkspolitiek van de families kwamen Sint Laurens, Popkensburg, Schellach en omgeving in hun handen. In de kerk van Sint Laurens hangen nog de familiewapens, naar men zegt afkomstig van het kasteel Popkensburg.

Na de zeventiende eeuw ging het stadspaleis aan de Lange Noordstraat in andere handen over, “zijn ouden luister langzamerhand verliezend totdat in 1812 een hevige brand het dermate teisterde, dat het voor een luttel bedrag werd verkocht”, aldus de schrijver in de Nieuwe Rotterdammer, overgenomen door de vertrouwde ‘Middelburger’:

In 1825 werd op het terrein een statig heerenhuis gebouwd, dat nog bestaat en thans als rijkseigendom diverse belastingkantoren herbergt. “Het open velt te midden in de stadt” bleef, maar van den ouden luister van den hof is sinds lang niets meer over. En de Nederlandsche staat zag zich genoodzaakt, een deel van het terrein voor bouwgrond te verkoopen!4 Thans komen op den grond, waar eens Hortensia del Prato vreemde bloemen kweekte, middenstandshuisjes. Al konden nu koepel en fraaie muur, in later tijd gebouwd, met geen mogelijkheid behouden blijven, het mocht aan het volhardend streven van ‘Nehalennia’, vereeniging tot behoud van Walcheren’s natuur- en stedenschoon, gelukken ten minste te bewerken, dat op dit historisch terrein geen clichéhuisjes met gebroken kap werden gebouwd, doch een blok huizen zal worden gesticht, waarvan men mag verwachten, dat het aan redelijke eischen van welstand zal voldoen.

Einde bericht, waaruit blijkt dat het hier het voormalige belastingkantoor betreft, thans omgetoverd tot een huis vol appartementen, nog altijd gesierd met de naam van het stadspaleis van Pieter Courten en onze zeer gewaardeerde Hortensia, Het Groote Huys.

Het krantenbericht uit 1925 maakt duidelijk wat er aan de hand was toen Kimpe zijn brief schreef: wat nog resteerde van “het ommuurde open velt” werd voor een belangrijk deel door de overheid verpatst: er moesten “middenstandshuisjes” komen. Helaas was de fraaie muur aan de Penninghoeksingel met de koepel, die overigens niet dateerde uit de zestiende of zeventiende eeuw, niet te redden, maar gelukkig zouden er geen “clichéhuisjes met gebroken kap” op dit historische terrein komen. Het betreft hier een mooie omschrijving van vooruitgang: het kan immers altijd nog erger.

Over het stadspaleis Het Groote Huys, de tuin en de bewoners valt beslist nog meer te zeggen, maar dat is hier niet het onderwerp. Dat is de tuinmuur, en de ingezonden brief van Reimond Kimpe.

“Bont geblomde hoepelrokken”
Zoals eerder opgemerkt was Kimpe in 1919 naar Middelburg gekomen. Naar eigen zeggen hield hij zich aanvankelijk bezig met zijn oude beroep, niet in dienst van een overheid maar als aannemer. Hij raakte echter in een persoonlijke crisis, mogelijk mede veroorzaakt door financiële tegenslag, maar zeker ook door zijn doodvonnis en de onmogelijkheid naar Vlaanderen te reizen om zijn bejaarde ouders te bezoeken. Beiden stierven in de eerste helft van de jaren twintig. In de loop van 1923 is Kimpe gaan schilderen. En tamelijk serieus. In 1924 liet hij zijn werk voor het eerst op enkele groepstentoonstellingen zien. Aan het einde van dat jaar had hij in het Schuttershof, waar toen het Kunstmuseum was gevestigd, zijn allereerste eenmansexpositie. Daar heeft een schilderij gehangen van het uitzicht uit zijn raam: de muur, het koepeltje, het geboomte en daarbovenuit de toren van het Middelburgse stadhuis. Het schilderij werd gekocht door dokter Gelderman uit Kortgene.

Reimond Kimpe moet het verdwijnen van dit magnifieke uitzicht met die bomen zeer hebben betreurd. Hij zag zich geroepen een ingezonden brief te schrijven. In zijn met Zuid-Nederlands idioom doorspekte brief vertelt Kimpe dat hij, in het perspectief van het verdwijnen van zijn uitzicht, daarvan nog een tweede schilderij heeft gemaakt. De brief laat iets zien van Kimpe’s manier van werken in die tijd. Hij werkte toen nog tamelijk realistisch. In Middelburg, Veere, Vlissingen en elders op Walcheren liet hij zich inspireren. Vooral huizen en gebouwen, straathoeken en havenkades en dergelijke hadden zijn belangstelling. Dit tweede schilderij was dus ook een impressie van de muur en het koepeltje, geschilderd voor zijn deur. Dit schreef hij:

"den 30e van de Hooimaand

Mijnheer de Hoofdopsteller,

Al is ’t dat ik over dat koepelke aan den stillen Penninghoeksingel al dikwijls en geestig heb hooren vertellen, deed het mij toch plezier in uw blad van vandage daar nog meer over te vernemen. Met zulke dingen waar dat er zoo een lange tijd van eeuwen is overgegaan, is ’t gelijk met die vergane portretten van verre nichten en kozijns, met hun bont geblomde hoepelrokken en witte hooge hoeden, die hier en daar nog wel in de albums zitten, en waarvan het iedere keer weer zoo deugd doet in de lange winteravonden te hooren van vertellen. Die dingen en zijn bijkans geen doode dingen meer, maar levend geworden van de vele levens; en dat koepelke zeker, die er langs en omendomme zijn gesleten. En vele avonden hebben we in den deemster naar dat koepelke en dien schoone muur met zijn struische drummers en heimelijk blauwendig poortje zwijgend zitten kijken en droomen, al en wisten we toen nog niet dat die schoone, Hortensia del Prato hiet van haren name.

Tot ik de gave van ’t schilderen kreeg en het bij een witgesneeuwde winterdag heb weergegeven met door de boomen de torens, haast versmolten in een fijne hemel, gelijk het nu te zien hangt bij dr. Gelderman te Kortgene. En als we nu aan die witte plakkaten zagen dat het met dien schoone muur en dat koepelke nu ook voor goed gedaan zou zijn, kijk, daar lag de glorie van toch zoo een fijne wijn-gouden avond over die boomen, dat ik voor den tweede keer goeste kreeg en het voor mijn deure, nu bij een rijkelijke late zonne weer heb staan schilderen. Nog juist op ’t knipke, want we hadden amper den tijd om als ’t af was er naar te kijken en blij te zijn, of ze waren al bezig met afbreken.

’t En is maar omdat diegenen, die met die schoone oude dingen mochten begaan zijn, van die allerlaatste gedenkenisse nu zouden weten.

U medeen dankend voor de plaatsing, gelijk ze bij ons zeggen, niet met de pen maar met het hart.

R. Kimpe"

Foto’s?
Koepeltje weg, muur voorgoed verdwenen. Wat blijft zijn vragen: bestaat er een goede foto van die muur met koepel? En waar zijn de schilderijen van dat muurtje van Kimpe?
In Kimpe’s persoonlijke archief zitten enkele afbeeldingen van een van zijn eerste eenmanstentoonstellingen in het Kunstmuseum. Het lijken foto’s van de expositie uit december 1924. Met grote moeite en enige fantasie valt op een van die foto’s een doek met een muur, een koepel, met daarachter een open veld en een woud, te midden van de stad met op de achtergrond de stadhuistoren, te herkennen. Maar welke van de twee schilderijen is dat, en waar zijn ze nu? Misschien heeft een lezer er wel een aan zijn eigen muur hangen.
Gelukkig zit er in Kimpe’s archief nóg een afbeelding: mogelijk een ontwerp, misschien een soort foto van een van de twee schilderijen, maar hoe dan ook, een stukje muur met een koepeltje aan de singel.

Lo van Driel

De foto’s bij dit artikel zijn, voor zover niet anders vermeld, afkomstig uit het privéarchief van de familie Kimpe.

Noten:

1. Cornelis Goliath († 1668) was baljuw van Domburg, maar ook een bijzonder goede landmeter en kaartmaker. In 1666 en 1667 vervaardigde hij een plattegrond van Middelburg, die door Smallegange in zijn ‘Chronijk’ (1696) werd opgenomen. Zie: Nagtglas, ‘Levensberichten van Zeeuwen’ I, 276. Vgl. P.C. Molhuysen & P.J. Blok (red.), ‘Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek’. Deel 4. A.W. Sijthoff, Leiden 1918.

2. Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit drie portretten van haar (twee van de hand van Gortzius Geldorp, en een van de Middelburgse schilder Salomon Mesdach), bovendien van haar eerste en tweede man en andere familieleden, alle afkomstig van het kasteel Popkensburg en in 1875 door Jacob de Witte van Citters aan de staat gelegateerd.

3. In de tweede helft van de zestiende eeuw trouwde Matthias Boudaen (afkomstig uit Kamerik) met Margaretha Courten, waarna hun zoon de achternamen verenigde: Pieter Boudaen Courten (1594-1668). Deze trouwde in 1618 met Catharina Fourmenois, vrouwe van Sint Laurens (1598-1665). Op grond hiervan kwamen Popkensburg en Sint Laurens in handen van de familie. Deze Catharina Fourmenois was de dochter van Jean Fourmenois en Hortensia del Prato (Prado).

4. Een gedeelte ‘van den tuin van het Rijkskantorengebouw Lange Noordstraat, met stalgebouw, bergplaats en tuinhuisje (…) samen plm. 16 a. 34 ca.” werd verkocht aan L.F. Groosman en W.L. Ghijsen te Middelburg voor f 11.000,‒. (Middelburgsche Courant, 10 april 1925).


Achter een muurtje ...








Terug