Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten

Veer op de vest




Extra reistijd
Wie vandaag de dag het centrum van Middelburg wil bereiken, kan kiezen uit meerdere toegangswegen. Over de vest liggen verschillende bruggen die toegang bieden tot het oude centrum van de stad. Nog niet zo lang geleden was dat wel anders. Tussen 1844 en 1887 lag er bij de Koepoort geen brug, maar diende men een veerpontje te nemen om de overkant te bereiken. De klachten van omwonenden waren niet van de lucht. Was je te laat voor het pontje, of wilde of kon je het veergeld niet betalen, dan moest je omlopen. Een omweg via de Noordpoortbrug of de Veerseweg leverde een extra reistijd van een half uur op! In dit artikel wordt u bijgepraat over de achtergronden van dit gekke en wellicht voor velen onbekende veerpontje.

Stadsontwikkeling
Middelburg maakt aan het einde van de zestiende eeuw een roerige periode door. Na het beleg van de stad (1572-1574) worden de fortificaties letterlijk en figuurlijk op de schop genomen. De middeleeuwse stadsmuur wordt afgebroken en rondom de stad wordt tussen 1585 en 1598 een verdedigingsstelsel van dertien bolwerken aangelegd. Daarbij worden acht nieuwe stadspoorten gebouwd, waaronder de Koepoort. De huidige Koepoort is overigens niet de zestiende-eeuwse poort. De oude poort wordt in 1735 vervangen door een door Jan de Munck ontworpen sierpoort. Een brug over de vest geeft daar toegang tot de stad. De vesting Middelburg blijft tot in de negentiende eeuw haar militaire functie behouden maar deze verdwijnt tussen 1841 en 1848. De economische malaise in de negentiende eeuw heeft tot gevolg dat het voor de stad niet nodig is om uit te breiden. De bolwerken worden dus niet geëgaliseerd en volgebouwd maar worden omgevormd tot een stadspark in de Engelse landschapsstijl. De landschapsarchitect K.G. Zocher (1797-1863) neemt deze klus op zich. Het is na de voltooiing mogelijk rondom de stad te lopen over een speciaal daartoe aangelegd voetpad. Dit werk, dat in de winter wordt uitgevoerd, is vooral bedoeld als werkverschaffing voor de Walcherse landarbeiders. Gedurende deze transformatie wordt de brug bij de Koepoort in 1844 gesloopt. Uit geldgebrek besluit het gemeentebestuur geen nieuwe brug aan te leggen maar komt men met een goedkoper alternatief. In 1844 wordt Jan Aarts aangesteld als “buitengewoon commies voor de administratie der plaatselijke belastingen”. Het klinkt als een gewichtige baan maar in de praktijk komt het neer op de functie van veerman op een klein pontje dat de dertig meter brede vest moet overbruggen.

Een veerdienst
Jan Aarts is weliswaar in dienst van de stad, maar voor zijn werkzaamheden wordt hij niet betaald. Om hem enigszins tegemoet te komen mag hij van het gemeentebestuur kosteloos in de Koepoort wonen. Hij verdient zijn brood met het geld dat mensen betalen voor de overtocht. Een enkele reis kost twee cent, maar het is ook mogelijk om een jaarabonnement voor één gulden aan te schaffen. Uit een krantenartikel van december 1844 blijkt dat het voor de echt minderbedeelden mogelijk is om kwijtschelding voor de abonnementskosten aan te vragen. Hiertoe moet men zich melden bij de stedelijke griffie die dan daarover een besluit neemt. Lange tijd is het stil rond het pontje en zijn veerman. Pas in januari 1864, bijna twintig jaar later, komt Jan Aarts weer in de bronnen voor. Het gemeentebestuur verleent hem een gratificatie van honderd gulden. Niet alleen omdat hij “gedurende twintig jaren ruime stof tot tevredenheid heeft gegeven” maar ook omdat hij “door ouderdom voor die betrekking ongeschikt is geworden en geene middelen bezit tot voorziening in zijn onderhoud”. Dit betekent vanzelfsprekend dat de stad op zoek moet naar een vervanger, en die wordt snel gevonden: “Tot veerman van de overzetpont bij de Koepoort en tevens tot buitengewoon commies bij de plaatselijke belastingen wordt benoemd Andries Lorier, in te gaan met den 1e Maart.” Al snel na zijn aanstelling verricht Andries een heldendaad. In de middag van 17 december 1864 begeven twee jongens zich op ijs dat eigenlijk te dun is. Ze zakken erdoor maar worden gered door drie mannen, onder wie veerman Andries Lorier, “die zich niet ontzien door het ijs zich een weg te banen, en zoo doende die kleinen te redden”. Niet alleen een welgemeende dankbetuiging van de vader van de jongens valt de redders ten deel, ook het Middelburgs departement der Maatschappij tot nut van ’t algemeen laat van zich horen. Wegens “betoonde hulpvaardigheid en menschlievendheid bij het redden van een kind uit het water” ontvangen de drie mannen een getuigschrift en daar bovenop nog vijf gulden.

Instructies
In vroeger tijden werden de poorten van de stad bewaakt en na een bepaald tijdstip gesloten. Het was dan niet meer mogelijk de stad in of uit te gaan. Het sluiten van de poorten werd aangekondigd met het luiden van de klokken van de Lange Jan. Met ingang van 1 januari 1867 wordt dit eeuwenoude gebruik vaarwel gezegd. Vanaf dat moment worden de tijden waarop mensen de stad kunnen bereiken aangepast en wordt het niet meer kenbaar gemaakt door het luiden van de klok. Dit geldt niet alleen voor de poorten maar ook voor de overzetpont bij de Koepoort. Overigens zijn er op dat moment al enkele stadspoorten ge sloopt en wordt er niet alleen bij de poorten toezicht gehouden maar ook op de ‘barrières’ (de bruggen over de vest). De nieuwe dienstregeling voor het veerpontje ziet er als volgt uit. In de negentiende eeuw duurt een werkdag voor de gemiddelde arbeider in de winter minder lang dan in de zomer. Het gebrekkige kunstlicht laat in het algemeen niet toe dat de arbeid tot na zonsondergang wordt voortgezet. Vanuit deze wetenschap worden de veertijden vastgesteld. Het is immers niet nodig om in de winter tot laat door te blijven varen als de arbeiders reeds thuis zitten. In een instructie uit 1866, gericht aan de veerman, blijkt dat hij het vastgestelde tarief niet van iedere passagier mag vorderen. Een uitzondering bestaat voor “ambtenaren bij de plaatselijke policie en belastingen”, maar ook voor de mensen die in dienst zijn bij de “gemeentefabricage mits uitsluitend wegens dienstzaken overgaande”. Of alle veranderingen een te zware belasting zijn voor Andries Lorier is niet bekend, maar enkele maanden na het ontvangen van zijn nieuwe instructie geeft hij er de brui aan. Per 26 april 1866 mag Abraham Beaufort zich veerman van de overzetpont bij de Koepoort noemen.

Nieuwe veerpont
De gemeente betaalt weliswaar geen salaris aan de veerman, maar de stad is wel verantwoordelijk voor het onderhoud van de pont en de aanlegsteigers. In 1871 is de oude pont, die vanaf 1844 dienst heeft gedaan, zodanig verouderd dat de gemeente een nieuwe veerpont bestelt bij de werf van de Middelburgsche Commercie Compagnie. In september 1871 wordt een houten pont geleverd die de stad 300 gulden kost. Enkele maanden later wordt een nieuwe aanlegplaats à ƒ 80,– opgeleverd. Voor een periode van twee weken is het voor Abraham Beaufort niet mogelijk om zijn functie uit te oefenen. Als tegemoetkoming voor de inkomstenderving die hij hierdoor lijdt, ontvangt hij van de gemeente een bedrag van vijftien gulden.

Een voetbrug?
Je zou denken dat met de nieuwe pont weer decennialang naar ieders tevredenheid gevaren kan worden, maar niets is minder waar. Amper een jaar na de oplevering, in oktober 1872, komt bij de gemeente een verzoek binnen om de pont te vervangen door een voetbrug. Namens de bewoners van de Noord- en Veersesingel schrijft Gerrit de Keijzer een brief aan het college van burgemeester en wethouders. Hij klaagt onder meer over het geringe aantal uren dat het pontje vaart, terwijl per 1 januari 1872 alle poorten en barrières “zoowel des nachts als des daags” (en dus gratis) geopend zijn. Daarnaast geeft hij aan dat er kinderen zijn die niet of slechts met grote moeite naar school kunnen doordat ze het veergeld niet kunnen betalen en moeten omlopen. Op aanraden van de gemeentebouwmeester wordt De Keijzers klacht afgewezen. De bezwaren missen volgens hem “nagenoeg allen grond” maar het grote struikelblok zijn de kosten voor de aanleg en onderhoud van een brug. Daarenboven geeft hij een steek onder water door aan te geven dat de bewoners van de Singels “hunne tegenwoordige woningen hebben betrokken, nadat de voormalige brug door eene pont was vervangen, en zij dus den toestand kenden, alvorens zij gehouden waren, zich daarnaar te schikken”. Hij sluit af met de mededeling dat de pont sowieso niet veel gebruikt wordt. Zo hebben slechts 53 personen een abonnement op de pont “waaronder 12 heeren, die den kolftuin in Smoorsgang (de huidige Leliestraat) bezoeken”. De aanleg van een voetbrug heeft dus bij de gemeente geen prioriteit. Het uiten van klachten over het veerpontje blijft niet beperkt tot de gebruikers ervan. Ook de gemeenteopzichter doet een duit in het zakje. Hij heeft geen klachten over het pontje zelf, maar wel over het functioneren van Abraham Beaufort. Een van de taken van de veerman is het voorkomen van ijsvorming rondom de pont. Bij een inspectie op 13 december 1879 blijkt dat dit niet het geval is, ondanks het feit dat Beaufort “eertijds van de gemeente twee flinke stootijzers voorzien van handvaten en scherpe bek heeft ontvangen”. Om schade aan de pont te voorkomen wordt een van de stadswerklieden gevraagd de pont los te hakken. Lange tijd blijft het daarna stil rondom de pont. Pas in mei 1884 beginnen de bewoners van de singels zich weer te roeren en ze vragen wederom om een voetbrug.

Klachtenstroom
Bij de gemeenteraad komt een brief binnen van bewoners van de Veerse- en Noordsingel, de Nadorstweg en verder aldaar gelegen buurten. Het verzoek, onderbouwd met twaalf argumenten, is helder: “Een vrijen toegang voor voetgangers naar de bebouwde kom hunner gemeente, ter plaatse en ter vervanging van het nog steeds bestaande, slechts op zekere uren geopend, en tegen te betalen tol, tijdrovend voetveer aan de Koepoort.” Het voert te ver om alle punten te bespreken, maar enkele zijn het vermelden waard. De voornaamste grief is het verstoken blijven van geneeskundige hulp als het pontje niet vaart. Zo is het in het verleden voorgekomen dat een te hulp geroepen arts te laat kwam waardoor iemand overleed. Een ander punt is het grote aantal nieuwe woningen aan de singel, “zoodat bedoelde singel thans voorzeker als de meest bevolkte is aan te merken”. Het wordt daarom vreemd gevonden dat dit gedeelte van de gemeente alleen per boot is te bereiken. Het antwoord van de stad laat op zich wachten, maar in de tussentijd verschijnen er in de Middelburgsche Courant meerdere open brieven van mensen die slechte ervaringen hebben opgedaan met het pontje. Het eerste bericht verschijnt op 10 juni 1884: “Door naar zijn hoed te grijpen, viel gisterenmiddag een der vele passagiers van het overtrekkend pontje aan de Koepoort alhier overboord; wijl men den halven drenkeling spoedig in het ranke vaartuig haalde, had de zaak geen verdere gevolgen dan dat hij vrij wat stof tot discours gaf aan de een vaste brug begeerende singelbewoners.” Dit valt nog als ongelukkig aan te merken, maar in de krant van 19 juni is een onverkwikkelijker verhaal te lezen. Een gezelschap dat een lange avondwandeling heeft gemaakt komt om tien uur vermoeid aan bij de veerpont. “Onze Lange Jan deed de tweede slag van tien uren hooren”, maar de veerman gaf geen gehoor toen de bel werd geluid. (Om de veerman te waarschuwen dat er passagiers staan te wachten, hangt er een bel bij de aanlegsteiger.) Blijkbaar is Abraham Beaufort een echte ambtenaar gezien de punctualiteit aan het einde van zijn werkdag. De wandelaars zijn genoodzaakt anderhalve kilometer om te lopen en arriveren pas om kwart voor elf bij hun huizen. Een dag later wordt in de krant gewag gemaakt van eenzelfde voorval, maar deze keer betreft het een wandelaar die zijn voet had verstuikt en met veel moeite de veerpont bereikte. Nu sloeg de Lange Jan de eerste slag van tien uur, maar de veerman gaf wederom niet thuis. “De man kon niet meer voort, en uitgeput zonk hij neer naast de bel van het veer aan de Koepoort. Daar bleef hij liggen, zuchtende: waarom is hier toch geen brug!” Uiteindelijk wist hij na enkele pijnlijke uren zijn woning te bereiken. Het lijkt zonneklaar, kijkend naar bovenstaande verhalen, dat de gemeente niet anders kan dan besluiten tot de aanleg van een voetbrug. Maar dat blijkt niet het geval. Evenals in 1872 is de financiële toestand van de gemeente te onzeker om een buitengewone uitgave te doen. Daarbij geeft een gemeenteraadslid aan dat Middelburg “geen behoefte heeft aan uitbreiding, in tegendeel zou inkrimping eerder gewenscht zijn”. De uitgaven voor bestrating, verlichting, politie en dergelijke zijn, volgens het gemeenteraadslid, al zeer aanzienlijk “en om nu mede te werken om de uitbreiding nog te bevorderen zou hij verkeerd achten”. Het standpunt van de gemeente valt uiteraard niet in goede aarde bij de bewoners van de singels. Ze verenigen zich zelfs in een “commissie tot verkrijging eener voetbrug aan de Koepoort”. Uiteindelijk komt de gemeente met het voorstel dat bewoners zelf maar een ontwerp en een kostenraming voor een brug bij de gemeentebouwmeester moeten indienen. In eerste instantie komen zij met een plan, vrijwel uitsluitend bestaande uit een schets. Hoewel later een uitgebreider plan wordt overlegd, blijft de gemeentebouwmeester grote bezwaren houden. De verschillen tussen gemeente en commissie zijn klaarblijkelijk onoverbrugbaar. Het plan wordt in de ijskast gezet. De bouw van een brug lijkt verder weg dan ooit, wat aanleiding geeft tot nieuwe klachten die in de krant worden uiteengezet. In een open brief van 19 april 1886 wordt blijk gegeven van onvrede over het voortbestaan van een veerpont en de gevolgen daarvan. Een eigenaar van enkele percelen aan de singel is voornemens om enkele burgerwoningen te bouwen, maar wordt in de uitvoering belemmerd vanwege het “uiterst gebrekkige en antieke en sukkelachtige gemeenschap tusschen den Singel en het Molenwater, nl. van het ‘lieve’ pontje aan de Koepoort”. Door de aanwezigheid van het veerpontje is hij huiverig het bouwplan uit te voeren, ondanks de mooie locatie van de percelen zo dicht bij het Molenwater en het centrum van de stad.

Goedkeuring
Of de bestuurders van Middelburg gevoelig zijn geweest voor de klachtenregen is de vraag, maar in september 1886 komt het nieuws naar buiten dat er geen bezwaar meer bestaat tegen de aanleg van een voetbrug over de vest. Naar eigen zeggen heeft dit te maken met het feit dat de toestand van de gemeentelijke financiën in tegenstelling tot voorgaande jaren niet meer onzeker is te noemen. De noodzaak voor de aanleg van de voetbrug wordt een week later nogmaals duidelijk. Door duisternis misleid valt een meisje met melkjuk en emmers van het pontveer in het water. De beslissing om een brug te bouwen betekent dat Abraham Beaufort zonder werk komt te zitten. Hij heeft als gemeenteambtenaar recht op wachtgeld. Over de jaren 1882-1886 geeft hij een overzicht van zijn inkomsten: Het gemiddelde van de vijf jaren is ƒ 239,96 en het wachtgeld twee derde van het totaalbedrag. Beaufort krijgt voor de periode van vier jaar jaarlijks een bedrag van ƒ 159,97 in het vooruitzicht gesteld. Hiermee komt een einde aan ruim veertig jaar veerlieden op de Singel bij de Koepoort. Intussen is het college van B&W ook druk bezig met de aanbesteding van de brug. Die vindt plaats op 15 maart 1887 in het raadhuis op de Markt. Op de oproep komen vijf inschrijvers af. Uiteraard kiest de gemeente het laagst ingeschreven bedrag. De bekende architect C.A. Goethals wint de aanbesteding voor een bedrag van ƒ 1.995,–. Het ontwerp van de brug, met rustieke leuningen van gevlochten boomstammetjes, sluit naadloos aan bij de romantisch en lommerrijk ogende bolwerken. Met enige vertraging wordt de nieuwe brug op 1 juli 1887 feestelijk geopend. Een week na de oplevering biedt Goethals te koop aan: “een flinke, goed onderhouden veerpont, ook zeer geschikt voor vischpont, benevens een flinke bel met houten stoel”. De veerpont is definitief op het droge gezet.

Huidige situatie
In het begin van de twintigste eeuw komen er steeds meer huizen aan de overkant van de vest. Met de bouw van het villapark Nieuwenhove en de grote arbeiderswijk Nieuw-Middelburg in de jaren twintig voldoet het kleine bruggetje niet meer. Daarbij komt ook nog dat de smalle brug niet geschikt is voor het in opkomst zijnde autoverkeer. In 1925 wordt de voetgangersbrug gesloopt en vervangen door een brede stenen brug. Voor de aanleg van deze brug afkomstig uit de dijk aan de Arnemuidseweg. Bij het ontgraven van die dijk stuit men op skeletresten maar ook op schedels waarbij nog ijzeren kettingen om de hals zitten. Abusievelijk heeft men het oude galgenveld, in gebruik tot 1601, opgegraven. Een brug over de vest. Het lijkt zo vanzelfsprekend, maar uit bovenstaand verhaal wordt duidelijk dat het niet altijd zo was. De bewoners van de singels moesten praten als Brugman om de bestuurders van Middelburg te overreden de veerpont te vervangen door een simpel bruggetje. Tegen de tijd dat de huidige brug wegens bouwvalligheid vervangen moet worden, is het wellicht een idee, al is het maar voor een korte periode, een veerpontje te laten varen. De rust van weleer zal dan voor even terugkeren aan dit deel van de vest.

Ilja Mostert

Bronnen ‒ Zeeuws Archief (ZA), Middelburg, archief gemeente Middelburg, Dienst Gemeentewerken (1831-1940), inv.nrs. 29-34, 36-40, 106 en 236. ‒ ZA, archief gemeente Middelburg, Gemeenteverslagen (1851-1946), inv.nrs. 1-31. ‒ ZA, archief gemeente Middelburg, Handelingen Gemeenteraad (1875-1980), inv.nrs. 1-13. ‒ ZA, archief Middelburgsche Commercie Compagnie (1720-1889), inv.nrs. 1455 en 1466. ‒ K. Bos, ‘Landschapsatlas van Walcheren’, Koudekerke 2008. ‒ www.krantenbankzeeland.nl (m.n. Middelburgsche Courant).

Gepubliceerd in De Wete 47ste jaargang nummer 1, pag. 3-11

 


Veer op de vest - overige afbeeldingen








Terug