Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten

De buitenplaats Der Boede tussen verval en bloei, 1901-1950




Wisselend getij

Architect Van Baurscheit
Het grote achttiende-eeuwse landhuis Der Boede bij Koudekerke was ooit het middelpunt van een uitgestrekte buitenplaats, bewoond door Vlissingse en Middelburgse regenten en notabelen. Het bos met hertenbaan en vijver roept nog de sfeer op van het vroegere park. Een groot deel van het terrein werd in 2018 geschikt gemaakt voor de bouw van een aantal villa’s. Enkele bouwkavels zijn al verkocht. In de eerste helft van de twintigste eeuw was er al sprake van functieverandering en woningbouw op Der Boede en bestond de vrees dat de eeuwenoude buitenplaats uit het landschap zou verdwijnen. Verschillende achtereenvolgende eigenaren en huurders hebben er het hunne aan bijgedragen om de sloopdreiging telkens weer af te wenden dan wel aan te wakkeren. Der Boede vindt zijn oorsprong in de middeleeuwen, toen er een kasteeltje stond van de adellijke familie met die naam. Het huidige huis dateert uit het midden van de achttiende eeuw en is gebouwd voor de Vlissingse burgemeester Jacob van der Mandere. Deze uit Gent afkomstige regent deed voor de bouw van zijn buitenhuis een beroep op de Antwerpse architect Johan Pieter van Baurscheit, die een belangrijk aandeel in het ontwerp heeft gehad. In schaal en kwaliteit heeft het huis een uitstraling die meer aan Vlaanderen dan aan Walcheren doet denken.1 Die imposante schaal heeft er zeker aan bijgedragen dat het huis als een van de aanzienlijkste buitenplaatsen van Walcheren werd beschouwd.

Leegstand
Rond de vorige eeuwwisseling deed Der Boede dienst als burgemeesterswoning. Eigenaar Willem Hendrik de Bruyn van Melis- en Mariekerke werd in 1892 burgemeester van Koudekerke. In 1901 legde hij zijn ambt om gezondheidsredenen neer en vertrok naar Velp.2 Na het vertrek van De Bruyn bleef het huis onbewoond. Tuinbaas Cornelis Sanderse pachtte drie hectare moestuin, weiland en grasvelden, met inbegrip van de tuinmanswoning, “stal en koetshuis, broeikas, oranjerie, druivenkas, (…) broeibakken en fijne vruchtboomen”. Sanderse begon er een groente- en fruitkwekerij.3 In het park vonden af en toe religieuze bijeenkomsten plaats, zoals in 1903 een zendingsdag, gehouden op “de mooie, schoon ietwat vervallen buitenplaats der De Bruijns”.4 Verder werd het opengesteld voor wandelaars; in 1904 gaf de Vereeniging tot bevordering van het Vreemdelingen-Verkeer wandelkaarten uit voor de buitenplaatsen in de Manteling bij Domburg en Oostkapelle en ook voor Der Boede, om toeristen die in Domburg verbleven te verleiden tot een bezoek aan het zuidelijke deel van het eiland.5

Notaris Loeff
Er gingen waarschijnlijk geruchten dat Der Boede een functie als zorginstelling zou krijgen. In juli 1903 kwam er goed nieuws toen bleek dat de Koudekerkse notaris Jan Loeff het had gekocht: “Het fraaie landgoed Der Boede, waarop sommigen het oog hadden geslagen of het een Zeeuwsch Veldwijk worden mocht, is – naar men ons verhaalt – aangekocht door den heer notaris van Koudekerke; een gerucht fluistert, dat er plannen zijn om van Koudekerke een badplaats te maken zoodra er de tram-verbinding zal zijn en men daarom er liever geen krankzinnigen-gesticht met annexe huiselijke verpleging heeft.”6 De schrijver verwijst naar het landgoed Veldwijk bij Ermelo, dat in 1886 als psychiatrisch ziekenhuis in gebruik was genomen. Dit was een van de vier zorginstellingen die in korte tijd rond die plaats verschenen.7 Hoewel het in Ermelo voor de nodige economische opleving had gezorgd, vond men een inrichting in Koudekerke kennelijk een beangstigend toekomstbeeld. De dreiging dat er een gesticht van Der Boede gemaakt zou worden, was door deze verkoop even afgewend. Loeff probeerde de buitenplaats als geheel te verkopen en plaatste een advertentie in de krant. Op het terrein van 18,4 hectare bevonden zich een “nieuwe koetsierswoning, nieuwe stalling en nieuw koetshuis, ook geschikt voor automobielen” en een “wandelpark met zwaar geboomte en vijvers geschikt voor de vischteelt”. Het was “gelegen in een van de schoonste gedeelten van Walcheren, in een rustige, hooggelegen, gezonde streek, op een groot half uur afstand van Middelburg, Vlissingen en het zeestrand met mooie duinen (waarop uitzicht), aan de vork van de in aanbouw zijnde stoomtram van Middelburg en Vlissingen naar Domburg”. De “nieuwgebouwde hofstede” van Der Boede met 35 hectare landbouwgrond kon men er desgewenst bij kopen. Deze boerderij aan de Vlissingsestraat was in 1875 tot stand gekomen.8 De advertentie werd vaak herhaald, maar kon geen kopers verleiden. Daarop besloot Loeff het terrein in onderdelen te verkopen. In februari 1906 plaatste hij een krantenadvertentie: “Villa-bouwterrein te koop op Der Boede onder Koudekerke, met uitzicht op de duinen en op Vlissingen”.9 De nabijheid van de groeiende badplaats Vlissingen maakte de buitenplaats bijzonder waardevol als bouwgrond. Er bleef echter hoop op behoud, zo kunnen we afleiden uit een krantenbericht uit juni 1906: “Zeker zullen vele bewoners van Walcheren, vooral zij die den schoonen lommerrijken weg Koudekerke-Vlissingen kennen, met genoegen vernemen dat Der Boede weldra alweder zal bewoond worden door iemand van wie verwacht mag worden dat het niet alleen bewoond, maar ook in rang en eere zal hersteld worden. Het uitgestrekte bosch met zijn eeuwenoud geboomte, de breede lanen, de groote grasvelden, de donkere weg en de statige huizinge, het pendant van het Vlissingsche stadhuis, zullen de schoonheid blijven verhoogen van het noord-oostelijk deel van Walcheren, nu meer dan ooit door de pas geopende tram toegankelijk geworden voor landgenoot en vreemdeling.”10

Bomen gerooid
In april 1906 was de Stoomtram Walcheren in gebruik genomen, die reed van Vlissingen via Koudekerke naar Domburg. Aanvankelijk was het streven om via deze lijn badgasten uit Vlissingen en Domburg te vervoeren, maar gaandeweg bleek de lijn meer succesvol voor het vervoer van landbouwproducten, met name suikerbieten.11 Vooruitlopend op de verkaveling van de bouwgronden begon notaris Loeff met het ontmantelen van het park en liet in september 1906 maar liefst 1.023 bomen rooien.12 De ontmanteling van het bos en de tekoopstelling van het huis leidden tot onrust in de omgeving. Uiteindelijk besloot een gezelschap van belangstellenden in oktober dat jaar het landgoed te kopen. De krant was opgelucht: “De bekende buitenplaats Der Boede, aan den straatweg van hier naar Koudekerke zal gelukkig niet in sloopershanden vallen. Het schoone buitenverblijf is nl. door eenige Zeeuwen, die gevoel voor het schoone hebben, aangekocht en zal bewoond worden door den heer H.J.E. Gerlach van Sint Joosland. De boomen aan den weg die maandag zouden worden verkocht, zullen nu niet geveild worden en het heerlijk lommerrijke plekje blijft daar gelukkig bestaan.”13 De kopers waren familie van de vorige eigenaar: Henrietta Carolina Adriana de Bruyn van Melis- en Mariekerke, getrouwd met Willem Johan Sprenger, en broer en zus Alfred en Marie Jeanne Françoise Wilhelmina Lantsheer. Zij kochten driekwart aandeel in Der Boede. Het andere deel bleef van Loeff en enkele anderen.14 Eerdergenoemde Henri Jacques Emile Gerlach van Sint Joosland werd in 1908 burgemeester van Koudekerke. Deze grootgrondbezitter was voorzitter van de afdeling Walcheren van de Zeeuwsche Landbouw Maatschappij en commissaris in het bestuur van Polder Walcheren geweest. Hij liet vlakbij Der Boede het Huis ter Schelde bouwen, waar hij in 1911 zijn intrek nam. Tijdens de bouw van zijn nieuwe huis woonde hij op Der Boede, dat na zijn vertrek weer te huur kwam.15 In 1909 had een Franse kloostergemeenschap een poging gedaan om Der Boede te verwerven. Dat was echter afgewezen, ondanks een “kolossaal bod”.16 In de laatste decennia van de negentiende eeuw was Nederland een toevluchtsoord voor kloosterlingen uit Frankrijk en Duitsland, die uitweken voor antiklerikale wetgeving en spanningen tussen kerk en staat. Ze vestigden zich vaak op kastelen en landhuizen in de Nederlandse grensstreken.

Aarnout Marinus van Doorn
De krant berichtte in juni 1912 over de nieuwe bewoner van Der Boede: “Naar aanleiding der berichten betreffende het sluiten van Der Boede, kunnen wij mededeelen dat de heer Gerlach van St. Joosland zijn nog loopende huur heeft overgedaan aan Jhr. A. van Doorn te Koudekerke.” Aarnout Marinus van Doorn (1866-1935), gehuwd met Helena Henriette Snouck Hurgronje (1874-1949), was mede-eigenaar van Moesbosch. Hij had in Nederlands-Indië gewoond, waar hij in Situbondo Pandji in Oost-Java voor een suikerfabriek werkte.17 Van Doorn kocht in augustus 1912 de buitenplaats Der Boede, die toen nog 12 hectare groot was. Hiermee bracht hij dit huis terug in de familie: zijn overgrootvader Abraham van Doorn had Der Boede in 1805 gekocht en in 1806 uitgebreid met de aankoop van Moesbosch. Zijn oudste zoon Hendrik Jacob had Der Boede in 1836 verkocht. Moesbosch bleef wel in de familie.18 Van Doorn leidde in 1915 een journalist van het prestigieuze Buiten. Geïllustreerd tijdschrift aan het buitenleven gewijd rond op Der Boede. Behalve een uitweiding over de geschiedenis van de buitenplaats geeft het artikel een mooie beschrijving van het park, of wat er nog van restte. Eind 1912 had Van Doorn immers al “eenige perceelen bosch- en tuingrond” verpacht en wederom een deel van het bos gerooid.19 “Jhr. Van Doorn is uitnemend thuis in den boschbouw en zijn liefde voor het boschbedrijf is een van de factoren, die hem Der Boede deden aankopen”, noteerde de verslaggever. Van Doorn leidde zijn bezoeker ook rond door het park van Moesbosch. Het wordt niet eens met naam genoemd: “Op een stil, dichtbegroeid plekje, tegen een heuvel, heeft Der Boede zijn eigen grafkelder, waarin nog het bijzetten is toegestaan.” Ook beschrijft het artikel een vijver en het uitzichtbergje bij de moestuin op Moesbosch: “en dichtbij, rondom den heuvel, strekt zich Der Boede in zijn vollen rijkdom uit: hier en daar een open plek, in de verte den gevel, doch overigens boomen. In allerlei soort en vorm: breed-gekruinde eiken, rechte mastboomen, die tusschen de bruin-gele bladeren der andere boomen wonder-groen afstaken, knoestige vruchtboomen met brons-getinte peren en glanzende appels.”20  We kunnen hieruit afleiden dat beide buitenplaatsen als een geheel voor de familie fungeerden en men over en weer gebruik maakte van elkaars park.

Wederom notaris Loeff
Van Doorn bood Der Boede in 1924 te koop aan, naar verluidt vanwege financiële problemen. Hij mikte op buitenlandse kopers. In het Algemeen Handelsblad plaatste hij een advertentie in het Duits voor de “in nächster Nähe des Seebades Vlissingen und eine Stunde von der Provinzial-Hauptstadt Middelburg entfernt, in schönster Umgebung gelegene herrschaftliche Landsitz ‘Der Boede’”. Dit was in een tijd waarin rond Domburg en Oostkapelle verschillende welgestelde Duitse industriëlen huizen huurden of zelfs kochten.21 In augustus van dat jaar verscheen wederom een advertentie waarin Van Doorn Der Boede aanprees als “geschikt voor vruchtencultuur en pension en goede geldbelegging wegens de nabijheid van Vlissingen”. Toen zich geen kopers meldden, besloot Van Doorn om “huis en bosch te verkavelen als bouwgrond”.22 Opnieuw ontstond vrees voor afbraak. “En bovendien deden de merkteekens op eenige honderden boomen aangebracht, het ergste vreezen voor hetgeen er met het mooie hout zou gebeuren. Naar ons ter oore kwam, is door een onderhandschen verkoop dat tweeledige gevaar voorloopig bezworen.”23 De koper was de Koudekerkse notaris Jan Loeff, die al eerder eigenaar van Der Boede was geweest. Enkele maanden na de aankoop droeg Loeff twee hectare van het terrein, met koetshuis, tuin en kassen, over aan Marinus Sanderse die het fruitteeltbedrijf van zijn vader had overgenomen.24 “Der Boede (…) is gelukkig aan het sinds maanden dreigend lot van verkaveling en rooiing – niet minder dan vier- à vijfhonderd boomen stonden voor verkooping op de nominatie, indien zich geen gegadigde voor het geheele complex voordeed – ontsnapt. De nieuwe eigenaar houdt huis en hof in den fraaien toestand, waarin hij het kocht. Ware anders geschied, dan zou het natuurschoon van Walcheren, dat in de laatste eeuw reeds zoozeer is aangetast, opnieuw een onherstelbaar verlies hebben geleden. Want niet alleen bevat het park van der Boede vele tamelijk zeldzame boomen en weinig voorkomende planten, met zijn fraaie boomgroepeeringen en doorkijkjes vormt het een uit een oogpunt van natuurschoon zeer belangrijk geheel.”25 Tot dan toe richtte het commentaar zich vooral op het dreigende verlies van natuurschoon. In dit bericht is daarnaast sprake van de kunsthistorische waarde van het huis, waarin “veel belangrijks” was te vinden, zoals schoorsteenmantels en een trappenhuis uit de bouwtijd. Het huis werd met enkele interieuronderdelen en het toegangshek in 1933 opgenomen in de voorlopige monumentenlijst.26 Jan Loeff overleed in 1935. Zijn erfgenamen deden wederom een poging om Der Boede meer rendabel te maken en wilden er woningen bouwen. Een uitbreidingsplan uit 1938 voorzag in de bouw van zes huizen op het terrein. Hiertegen bestond verzet, maar de eigenaar oefende druk uit op het gemeentebestuur. Enkele raadsleden vreesden dat Der Boede helemaal gerooid zou worden als er geen bouwvergunning verleend werd en dat het natuurschoon verloren zou gaan. Een van de gemeenteraadsleden opperde: “Laat Der Boede en degenen die er achterzitten maar uit de gemeente verdwijnen, (…) dan zullen we zeker rustige vergaderingen krijgen.”27

Jacob Mees
De familie Loeff verkocht het buiten in 1939 aan de bankier Jacob Mees (1885-1970), firmant bij Firma R. Mees en Zoonen te Rotterdam. Officieel stond Der Boede op naam van zijn echtgenote, Emma Johanna Antoinette Romelia (Emmy) van Stolk. Mees bezat behalve de vroegere buitenplaats Schoonoord aan de huidige Parklaan in Rotterdam ook een villa in Wassenaar. Met deze schatrijke en kunstminnende bewoners brak een nieuwe bloeitijd aan. Mees liet het huis restaureren en enkele moderniseringen aanbrengen, zoals elektriciteit en centrale verwarming.28 Ook wilde Mees het park onderhanden nemen en hij verzocht Leonard Springer om advies. Deze tuinarchitect genoot een reputatie als kenner van historische tuinen. Hij was een van de eersten in Nederland die de geschiedenis van de tuinarchitectuur onderzocht en publiceerde daar veelvuldig over. De betrokkenheid van Springer had waarschijnlijk betrekking op het onderhoud van de bijzondere bomen in het park. Of de toen 84-jarige tuinarchitect daadwerkelijk is gekomen en adviezen heeft gegeven, is niet bekend. Wel heeft hij een artikel gewijd aan Der Boede, dat vooral gaat over een prent ervan die rond 1700 was opgenomen in de Nieuwe cronyk van Zeeland door Mattheus Smallegange. In een artikel in Floralia wees Springer erop dat de vrees voor het verlies van deze buitenplaats vooral ging over de natuur, maar dat “bij dit buiten, als bij zoovele in ons land, vergeten wordt, dat wij de schoonheden van dit landgoed aan de tuinkunst te danken hebben. Gaan wij de geschiedenis van onze buitens na en ook van dit, dan zien wij dat er in vroegere jaren van natuurschoon geen sprake was.” Springer vond dat “men toch zeer moet oppassen waar het betreft oude buitens, niet al te luid te roepen over Natuurmonumenten. Men doet te kort aan de nagedachtenis der mannen, die de grondslagen legden.”29 Op verzoek van Mees werd Der Boede in februari 1940 aangemerkt als landgoed in de zin van de Natuurschoonwet 1928.30 De instandhouding van het park leek hiermee voor de volgende jaren gegarandeerd. Het verheugde de burgemeester dat “de fraaie buitenplaats Ter Boede behouden is gebleven voor de gemeente; hij hoopt dat deze buitengewoon mooie omgeving nog lang bewaard mag blijven.”31

Oorlogsjaren
De gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog maakten die hoop ijdel. Vanaf 14 mei 1940 huurde de scheepswerf Koninklijke Maatschappij De Schelde enkele ruimtes in Der Boede, voor het geval hun kantoren in Vlissingen door beschietingen onbruikbaar mochten worden. In juni vestigden 128 Duitse militairen van de Kriegsmarine met twee officieren zich in het huis, die er tot in augustus bleven. Op 15 oktober 1940 werd het landgoed in beslag genomen om als woning dienst te gaan doen voor K.E.W. (Willi) Münzer, de Beauftragte des Reichskommissars für die besetzten niederländischen Gebiete für die Provinz Zeeland. Hoewel de Rijksgebouwendienst Mees enigszins compenseerde met een financiële vergoeding, moest hij dulden dat in het huis verbouwingen plaatsvonden die het kort daarvoor opgeknapte interieur danig beschadigden. Hij informeerde bij zijn zaakwaarnemers ter plaatse regelmatig naar de toestand van de op zolder opgeslagen meubelen, zoekgeraakte voorwerpen en de toestand van de gebouwen.32 Tijdens de inundatie ging de beplanting van het park verloren. Van 1946 tot 1949 verhuurde Mees het huis aan het Centraal Bureau Verzorging Oorlogsslachtoffers in Den Haag. Dit bureau bracht na de inundatie gerepatrieerde inwoners van Walcheren onder op nog bruikbare locaties, zoals enkele landhuizen.33 Mees’ echtgenote overleed in 1947, waarna hij Der Boede in 1950 verkocht aan de Stichting Rusthuizen Walcheren. Het terrein werd ingericht als zorginstelling, met verschillende gebouwen voor bewoners en personeel.34 Nadat het verpleeghuis werd gesloten, zijn de meeste gebouwen gesloopt en werd het oude huis in 2004-2005 gerestaureerd.

Besluit
Het vertrek van De Bruyn in 1901 zette de langzame achteruitgang van Der Boede in. Latere eigenaren verkochten delen van het landgoed en lieten talloze bomen rooien. Zo teerden ze in op het eeuwenoude landgoed totdat alleen de kern overbleef: het huis met een paar hectare park. Voortdurend was er de dreiging van afbraak en ontmanteling, waarover velen zich zorgen maakten. Met de komst van het echtpaar Mees leek aan die onzekerheid een einde te komen. Totdat de oorlogsjaren een heel andere wending aan de ontwikkelingen gaven. De mooie ligging en het groen dat het oude landhuis omgeeft, vormden decennialang de voornaamste waarde van de buitenplaats, maar maakten ook verkaveling voor villabouw aantrekkelijk. De inundatie betekende een abrupt einde aan het bestaan van Der Boede als buitenplaats. De naoorlogse herinrichting en de ingebruikname als verzorgingshuis hebben het terrein een heel ander karakter gegeven. De nog te bouwen villa’s komen in een woonpark te staan, waar behalve het landhuis met een stuk bos, de hertenbaan en het fraaie toegangshek weinig meer herinnert aan de buitenplaats met zijn uitgestrekte park.

Martin van den Broeke

1. Martin van den Broeke, ‘“Het pryeel van Zeeland”. Buitenplaatsen op Walcheren 1600-1820’, Hilversum 2016, pp. 369-371. Zie ook www.koudekerke.info en C.J. Smolders, ‘Het landgoed Der Boede. Al meer dan acht eeuwen een voorname woonstede’, Koudekerke 1990.
2. Middelburgsche Courant (MC), 1 april 1901.
3. MC, 24 januari en 25 februari 1907; Cornelis Sanderse, ‘Den êêlen Sanderse boel. Vier eeuwen Sanderse op Walcheren’, Middelburg 1993, pp. 88-104.
4. De Zeeuw. Christelijk-historisch Nieuwsblad voor Zeeland, 29 augustus 1903.
5. MC, 2 april 1904, en Vlissingsche Courant (VC), 2 april 1904.
6. Zuider kerkbode. Weekblad gewijd aan de belangen der Gereformeerde kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, 15 juli 1904. De kadastrale legger van Koudekerke, sectie E, vermeldt dat Der Boede met bijbehorende landerijen in 1904 is verkocht (geregistreerd in dienstjaar 1905). Eigenaar was toen De Bruyn. Vervolgens werd, toen Loeff eigenaar was, in 1906 (geregistreerd in dienstjaar 1907) een deel ervan wederom verkocht.
7. G.A. Lindeboom en M.J. Lieberg, ‘Gedenkboek van de Vereniging tot Christelijke verzorging van geestes- en zenuwzieken 1884-1984’, Kampen 1984. De andere waren het Huis van Barmhartigheid (voor zwervers en daklozen), ’s Heeren Loo (voor verstandelijk gehandicapten) en het ziekenhuis Salem.
8. Het Nieuws van den Dag: kleine courant, 24 april, 8 en 15 mei, 22 en 28 augustus, 21 en 28 september en 5 oktober 1905; http://koudekerke.info/boerderij-derboede.php.
9. MC, 11, 15 en 29 januari, 12 en 26 februari 1906; De Zeeuw, 13 en 17 februari 1906.
10. De Zeeuw, 12 juni 1906.
11. H.G. Hesselink, ‘De trams op Walcheren’, Middelburg 1981, pp. 80-131.
12. Bij dezelfde gelegenheid vermeldde Loeff dat de buitenplaats als geheel te koop was. De Zeeuw, 25 september en 1 oktober 1906; Het Nieuws van den Dag, 24 september, 1 en 8 oktober 1906; MC, 27 september 1906.
13. VC, 15 oktober 1906.
14. De verkoop is genoemd in de overdrachtsakte van 1 augustus 1912. ZA, Notarieel Archief 1906-1915, inv.nr. 165.
15. De krant schreef in 1909 dat “door den bewoner van Ter Boede onderhandelingen zijn aangeknoopt tot aankoop van grond aan de overzijde van die buitenplaats, voor het bouwen van een villa met boomgaard”. MC, 6 november 1909 en 9 maart 1911.
16. MC, 19 augustus 1909; VC, 19 augustus 1909; De Zeeuw, 20 augustus 1909; Nieuwe Zeeuwsche Courant, 21 augustus 1909; Het Volk, 20 augustus 1909; Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 21 augustus 1909.
17. MC, 17 juni 1912; ‘Nederland’s adelsboek 1907’, p. 168.
18. ZA, Notarieel Archief 1906-1915, inv.nr. 165 (1 augustus 1912); Martin van den Broeke, ‘Een “fraay en aanzienlijk” stuk goed’ in: Arinda van der Does en Jan Holwerda (red.), ‘Tuingeschiedenis in Nederland. Veelzijdig erfgoed in ‘t groen’, Netterden 2011, pp. 40-53.
19.  Nieuws van den Dag, 9 december 1912; ZA, Notarieel Archief 1906-1925, inv.nr. 165 (19 november 1912).
20. C.V. Jr., ‘Walcherensche kasteelen en buitenplaatsen III. Huize Der Boede’ in: ‘Buiten. Geïllustreerd tijdschrift aan het buitenleven gewijd’ 9 (1915) 32, pp. 376-378.
21. Algemeen Handelsblad, 20 februari 1924; H.M. Kesteloo, ‘Oostkapelle in woord en beeld’, Middelburg 1909, p. 78. Vergelijk Algemeen Handelsblad, 1 september 1895.
22. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 2 april 1924; De Telegraaf, 2 juni 1924; De Zeeuw, 20 juni 1939; Domburgsch Badnieuws, 5 en 19 juni, 2 augustus 1924. Hoewel de Koudekerkse notaris Jan Loeff als contactpersoon wordt genoemd, trad hij op als tussenpersoon voor Van Doorn.
23. MC, 8 en 11 november 1924; De Zeeuw, 10 november 1924; VC, 12 november 1924; De Maasbode, 11 november 1924; Stadsarchief Rotterdam.
24. Stadsarchief Rotterdam (SAR), Familie Mees, inv.nr. 1124. Overigens waren drie geschilderde behangsels in de grote zaal uitgezonderd van de verkoop.
25. De Sumatra Post, 17 december 1924.
26. ‘Voorloopige lijst der Nederlandsche monumenten van geschiedenis en kunst. Deel VI. De provincie Zeeland’, Utrecht 1933, pp. 103-104. De bijgebouwen waren in de jaren zeventig van de negentiende eeuw vervangen en dus te jong om voor de monumentenstatus in aanmerking te komen. Wettelijke bescherming van historische tuinen bestond nog niet in de jaren dertig.
27. VC, 31 augustus 1938; De Zeeuw, 1 september 1938; VC, 9 maart 1938; MC, 9 maart 1938.
28. ‘Nederland’s patriciaat’ 67 (1983), pp. 237-371, 310-311; Machteld van Limburg Stirum, ‘De Muizenpolder in Rotterdam met zijn buitens en bewoners in de 18e en 19e eeuw’, Rotterdam 2001, pp. 59-84.
29. Leonard A. Springer, ‘Oude Nederlandsche tuinen in Zeeland. Ter Boede op Walcheren’ in: Floralia 20 (1939), pp. 623-625. Wageningen University and Research Centre, Universiteitsbibliotheek, Speciale Collecties, projectnr. 01.2270; Constance D.H. Moes, ‘L.A. Springer 1855-1940. Tuinarchitect, dendroloog’, Rotterdam 2002.
30. Vergelijk SAR, Familie Mees, inv.nr. 1147, en Nationaal Archief, Ministerie van OCW, Afd. Oudheidkunde en Natuurbescherming en taakvoorgangers, inv.nr. 4409.
31. MC, 20 juni 1939. Dit artikel handelt vooral over de geschiedenis van Der Boede. Zie ook VC, 19 juni 1939; De Banier, 20 juni 1939; De Zeeuw, 20 juni 1939; VC, 28 juni 1939; MC, 28 juni en 30 december 1939.
32. SAR, Familie Mees, inv.nrs. 1128, 1132, 1133, 1134, 1136 en 1138.
33. SAR, Familie Mees, inv.nr. 1128.
34. SAR, Familie Mees, inv.nrs. 1126 en 1124; Johan Geerse, ‘Die?…die is naar Der Boede toe! Van buitenplaats tot zorginstelling en terug’, Serooskerke 2014.


Der Boede, Koudekerke, 2006. (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland, Beeldbank Zeeland, M. Meijer, 102640)  

Het koetshuis en de koetsierswoning van Der Boede. Fotograaf en datering onbekend. (www.koudekerke.info)

Advertentie uit de Middelburgsche Courant van 11 januari 1906. (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland, Krantenbank) 

Prieel bij de volière in het park, omstreeks 1900. Fotograaf onbekend. (coll. Stichting Moesbosch, Ron Nieuwenhuizen)

Topografische kaart uit 1912. De oostelijke helft van het park heeft plaatsgemaakt voor boomgaarden.

Gezicht in het park van Der Boede. Tekening van Frans Maas, 1925. (Gemeentearchief Vlissingen, HTA inv.nr. 3753)

De voorzijde van Der Boede, eind jaren dertig. Prentbriefkaart uitgegeven door fa. F.B. den Boer, Middelburg. (Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Prentbriefkaarten, nr. 559)

Der Boede, verzorgingstehuizen, 1964. (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland, Beeldbank Zeeland, Jacqueline Midavaine, 118753)

Gezicht op de achterzijde van Der Boede, 1696. Tekening van Isaac Hildernisse. (Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, deel II, nr. 159)

Tuinderij Sanderse met woonhuis, koetshuis en kassen, ca. 1950. (foto fam. Sanderse)

Tuinderij Sanderse, op de achtergrond Der Boede, ca. 1955. (foto fam. Sanderse)

De voorzijde van Der Boede, eind jaren dertig. (Zeeuws Archief, Zeeuws Genootschap, Zelandia Illustrata, Prentbriefkaarten, nr. 559)

Uitzicht vanuit de voorzijde van Der Boede. Fotograaf onbekend, ca. 1900. (coll. Stichting Moesbosch, Ron Nieuwenhuizen)

 







Terug