Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem

Ontpacht - Een klein boerenbedrijf op Walcheren tijdens de wederopbouw




Geen succesverhaal

“Zeeland telt steeds minder boeren”, kopte de PZC alweer even geleden, in februari 2017. De oorzaak daarvan is dat er vaak geen opvolger is. De vrijkomende grond wordt dan meestal verkocht aan collega’s, met schaalvergroting tot gevolg. Hoewel het voor wie het betreft ingrijpend kan zijn, kijkt niemand op van zo’n bericht. Stoppen met het boerenbedrijf is echter niet iets unieks voor deze tijd. Halverwege de twintigste eeuw – de periode waaraan in dit artikel wordt gerefereerd – was het ook aan de orde. Al vanaf 1947 was er sprake van schaalvergroting en een dalend aantal bedrijven, al lag de oorzaak toen vooral in de toenemende mechanisatie.1 Ook werd met de herverkaveling van Walcheren bewust aangestuurd op de ontwikkeling van grotere bedrijven opdat de overblijvende boeren meer middelen van bestaan zouden hebben.2 

Dat laatste werd niet voor iedereen een succesverhaal. In dit artikel gaat het over een kort na de Tweede Wereldoorlog gestart boerenbedrijfje in Hoogelande, dat helaas al in 1966 min of meer noodgedwongen het veld moest ruimen. Het gaat om het bedrijf van mijn opa Hendrik Dingemanse (1909-1995). Zijn persoonlijke verhaal heeft raakvlakken met de wederopbouw van Walcheren na de oorlog, de herverkaveling en de daarmee samengaande sanering van bedrijven, en het laat ook de worsteling zien om als klein boerenbedrijf te overleven. Omdat de bedrijfsadministratie vanaf 1956 en ook de correspondentie in verband met de bedrijfsbeëindiging zijn bewaard, is het mogelijk om aan de hand van de geschiedenis van dit bedrijfje iets algemeens te zeggen over de bedrijfsvoering van dergelijke kleine boerderijtjes op Walcheren in de jaren van de wederopbouw. Naast de administratie hebben ook de herinneringen van mijn vader als bron gediend voor dit artikel.

Boerenknecht

Geboren en opgegroeid op een boerderijtje tussen Hoogelande en Krommenhoeke aan de inmiddels verdwenen Van Sparrentaksweg, gaat Hendrik Dingemanse op zijn veertiende aan de slag als boerenknecht. Als inwonend arbeider werkt hij bij diverse boeren in de omgeving van Grijpskerke. Rond zijn trouwen in 1935 gaat hij als arbeider werken op Parelvliet, de boerderij van Willem de Buck op Poppendamme. Tot aan de inundatie van Walcheren in 1944 is hij hier in dienst en woont hij met zijn gezin in het naastgelegen arbeidershuisje.

Direct na zijn huwelijk zet Hendrik de eerste stap op weg naar zelfstandig boeren. In Hoogelande pacht hij 3½ gemet land (ongeveer 1,4 hectare) van de ambachtsheer, Petrus Willem Marie Hoegen van Hoogelande. Als gevolg van de inundatie moet men eind 1944 evacueren. Het gezin met inmiddels vier kinderen komt eerst in Vrouwenpolder terecht. Na enkele weken moeten ze daar weg en arriveren ze uiteindelijk in Kruiningen. Hier zullen ze meer dan twee jaar verblijven op de boerderij van Hubrecht Zweemer aan de Zandweg, voor wie Hendrik ook als knecht gaat werken. Tot aan de zomer van 1946. 

Wederopbouw en herverkaveling

Nog voordat de drooglegging van Walcheren in 1946 een feit is, worden er al plannen gemaakt voor het herstel van het eiland. In augustus 1945 wordt de zogeheten Snelcommissie Walcheren opgericht, met als taak om binnen acht maanden een voorlopig plan voor het herstel van het eiland op te stellen. Dit plan moet tevens als grondslag dienen voor de herverkaveling.

Er wordt voortvarend gewerkt, want al een jaar na de installatie brengt de commissie het rapport Het nieuwe Walcheren uit, met een reconstructieplan voor het door de inundatie getroffen gebied, de duinranden en de droog gebleven polders van Vrouwenpolder. Het plan gaat onder andere in op de wegen, de afwatering, de bebouwing en het landschap en legt hiermee ook een basis voor de herverkaveling. En die herverkaveling werd nodig geacht. Vóór de inundatie werd Walcheren geroemd om zijn bijzondere landschap, de Tuin van Zeeland. Voor de landbouw had dit landschap echter veel nadelen: de percelen waren versnipperd, soms grillig van vorm en vaak ver van de boerderij gelegen. Ook hadden veel percelen toen nog geen directe verbinding met de weg. Door de natte omstandigheden in de poelgebieden en het geringe aantal sloten was er ook een afwateringsprobleem. 

Daar kwam nog bij dat veel bedrijven dusdanig klein waren dat er sprake was van lage opbrengsten. Daarom worden er plannen gemaakt voor de sanering van kleine bedrijven. De overheid, die behalve dertig miljoen gulden voor de droogmaking ook vijftig tot zeventig miljoen gulden uittrekt voor het volledige herstel, wil de zekerheid hebben dat bij de eerstvolgende crisis in de landbouw niet opnieuw steun verleend moet worden. Daarnaast blijkt het uit sociaal oogpunt niet acceptabel dat men op veel kleine bedrijven enkel door de inzet van vele gezinsleden het hoofd boven water kan houden. Door schaalvergroting kunnen de inkomsten stijgen, zodat de bedrijven eerder levensvatbaar zullen zijn. Op Walcheren is echter geen extra grond beschikbaar (door stadsuitbreiding, aanleg van wegen en kreekvorming is het aantal hectares juist minder geworden), zodat er een regeling komt die het mogelijk maakt dat Walcherse boeren naar de Noordoostpolder vertrekken. Door deze regeling kunnen ongeveer 240 kleine boeren (met een oppervlakte kleiner dan tien hectare) hun bedrijf vergroten.3 

Een nieuwe start

Terug naar Hendrik Dingemanse en de zomer van 1946. Walcheren is inmiddels droog. Het gezin woont nog in Kruiningen en Hendrik gaat doordeweeks op de fiets (!) naar Hoogelande om zowel zijn eigen land als het land van zijn vader Antheunis te bewerken. Tijdens deze zomer wordt er in Hoogelande een noodboerderij voor hen gebouwd, zodat het gezin in januari 1947 naar Walcheren kan terugkeren. De noodboerderij staat dan op grond van zijn vader, aan de Hogelandseweg 15.4

Omdat Antheunis, die inmiddels 73 jaar is en tijdens de inundatie was geëvacueerd naar zijn dochter in Middelburg, na de oorlog niet meer terugkeert naar Hoogelande, neemt Hendrik ook diens land in gebruik, ongeveer 6½ gemet. De totale oppervlakte bedraagt daarmee bijna vier hectare. In 1950 wordt, overigens pas na toestemming van de Herverkavelingscommissie Walcheren, een boerderijtje met bijbehorende grond gekocht van Simon Matthijse, iets verderop aan de Hogelandseweg. Die mogelijkheid ontstaat doordat Matthijse in de Noordoostpolder een nieuw bestaan gaat opbouwen. Ook daar woont het gezin Dingemanse eerst in een noodwoning. In 1953 wordt deze vervangen door een nieuw huis, waarna de noodwoning wordt gebruikt als opslagruimte.5 Ernaast staan een houten schuur met rundvee- en paardenstal (gebouwd in 1935 en na de oorlog hersteld), een dubbel stenen varkenshok en een stenen kippenhok voor veertig à vijftig kippen.

Bij de werkzaamheden in het kader van de herverkaveling wordt ondertussen de weg verlegd naar de andere kant van de boerderij, zodat men niet langer op nummer 9 maar op Hogelandseweg 6 woont. Vanwege de saneringsregeling krijgt Hendrik extra pachtgrond toebedeeld, zodat het bedrijfje uiteindelijk kan uitgroeien tot 9,7 hectare in 1952. Het wordt hiermee groot genoeg om van te leven, al kan dit niet op grote voet. Een knecht heeft Hendrik niet, zijn zoon werkt wel mee in het bedrijf.

Kleinschalig, maar winstgevend

Hoe was de bedrijfsvoering van zo’n kleine boerderij? En wat leverde het eigenlijk op? Van de eerste jaren is dat niet bekend, maar vanaf 1956 is de boekhouding bewaard gebleven die jaarlijks door de ZLM werd opgemaakt. Aan de hand hiervan kunnen deze vragen worden beantwoord.

Het bedrijf was qua grondgebruik in de eerste periode een akkerbouwbedrijf, zoals meer dan de helft van de bedrijven in Zeeland. Geen zuiver akkerbouwbedrijf, want ongeveer twintig procent van de grond bestond uit blijvend grasland, ten dienste van de – beperkte – veestapel. Qua gerealiseerde opbrengsten was het echter als gemengd bedrijf te beschouwen, want de opbrengsten uit de akkerbouw en het vee waren in de eerste periode gemiddeld ongeveer gelijk. Na de halvering van het bedrijf (zie hieronder), kwam de nadruk steeds meer op het vee te liggen, zowel wat het grondoppervlak betreft (ongeveer vijftig procent grasland) als de gerealiseerde opbrengsten (gemiddeld zeventig procent te relateren aan het vee).

Zo’n gemengd bedrijf had voordelen, zoals risicospreiding en het kunnen benutten van bijproducten van de akkerbouw. Soms was het ook noodzaak om zo de grond die ongeschikt was voor akkerbouw toch te kunnen gebruiken als grasland. Om de tijdsinvestering die dat vee vergde zo klein mogelijk te houden, lag in die situatie de nadruk op jongvee of slachtvee en minder op melkkoeien.6 Hendrik had echter zowel jongvee als melkkoeien. Tussen de documenten zit bijvoorbeeld een diploma van de Stichting Regionaal Orgaan voor Melkhygiëne te Breda vanwege de kwaliteit van de geleverde melk in het jaar 1961. In de administratie is jaarlijks ook een opbrengst genoteerd voor melk en boter. Gedurende de jaren 1956-1965 bezat Hendrik per 1 januari gemiddeld vier tot zes melkkoeien, één of twee stuks jongvee en één kalf. Maar er werden jaarlijks ook vier à vijf kalveren gefokt die vaak in hetzelfde jaar al werden verkocht, al zijn ze in de administratie soms ook terug te vinden onder het kopje “gestorven zonder opbrengst”...

Behalve enkele koeien waren er nog meer beesten. Hoewel de tractor vanaf 1950 echt doorbrak, bezat Hendrik nog tot 1963 een werkpaard. In dat jaar werd het voor de slacht verkocht en kwam er geen nieuw meer. Het desbetreffende paard was in 1956 door hem aangeschaft, nadat het vorige dier in dat jaar eveneens richting de slachter was gegaan. Daarnaast waren er enkele varkens, voornamelijk voor eigen gebruik. En ten slotte tussen de dertig en zestig stuks pluimvee, waarvan de eieren voor het merendeel werden verkocht en de rest bestemd was voor de eigen consumptie.

Wat de gewassen betreft zijn er gedurende die tien jaar twee constanten: suikerbieten en voederbieten. Ook tarwe (9 x) en erwten (8 x) werden bijna elk jaar verbouwd. Ieder jaar werd dit met diverse andere gewassen aangevuld, voornamelijk bonen, gerst, haver, aardappelen en uien. Zo’n gevarieerd bouwplan en ook de verbouwde gewassen passen goed in het gemiddelde plaatje. Tarwe, suikerbieten, aardappelen en gerst waren in Zeeland de gewassen die het meest geteeld werden in de periode waarin Hendrik boerde. Ook erwten en bruine bonen bleven tot in de jaren zestig populair op de Zeeuwse eilanden.7 

Omdat het bedrijf zo kleinschalig was, deed het gezin vrijwel alles zelf. Behalve de hulp van inwonende kinderen ‒ die daarvoor ook een vergoeding kregen ‒ was verder soms inzet van anderen nodig, maar de uitgaven voor werk door derden bleven beperkt. Daartegenover staat dat er ook inkomsten voor werk vóór derden genoteerd zijn, dus het kwam ook voor dat Hendrik werkzaamheden voor anderen verrichtte. Kleine boeren hielpen elkaar als het nodig was. Ook materiaal werd soms samen gekocht. Uit de administratie blijkt bijvoorbeeld dat in 1956 een ‘halve’ wiedmachine werd aangeschaft. 

Het einde van het bedrijf

W.A. van der Werff, secretaris van de Herverkavelingscommissie en tevens hoofd van het Ruilverkavelingsbureau, had in 1952 in een artikel in Zeeuws Tijdschrift gewezen op het gevaar van de bestaande wettelijke mogelijkheid dat verpachters (een deel van) de verpachte percelen terug konden nemen voor eigen gebruik. De sanering zou daarmee worden tenietgedaan. In het artikel riep hij op om bij het ontwerpen van de nieuwe Pachtwet en de wet Rechtshandelingen Landbouwgronden aandacht te besteden aan de gevaren die de gesaneerde bedrijven op Walcheren bedreigden, opdat “de zorg van de Regering aan de kleine boer op Walcheren besteed van blijvend nut zal zijn”.8 

Van der Werffs vrees bleek niet ongegrond, want wat hij voorzag trof in 1958 vijf bedrijven in de gemeente Grijpskerke, waaronder dat van Hendrik Dingemanse. Doordat de erven van een van zijn verpachters een nieuw bedrijf begonnen, zegde de grondeigenaar van een aantal pachters de pachtovereenkomst op. Vijf van hen hadden hun bedrijf enkele jaren daarvoor juist vergroot en ontpachting zou een terugkeer naar de oude situatie betekenen. De gezamenlijke gang naar de pachtrechter mocht helaas niet baten. In 1959 moest Hendrik 5,1 hectare afstaan, zodat zijn bedrijf meer dan gehalveerd werd. Dit had tot gevolg dat zijn zoon naar ander werk moest omzien. Omdat enkel de pacht van percelen akkerland werd opgezegd, veranderde zoals eerder vermeld ook de aard van de bedrijfsvoering. Hiermee was het aandeel blijvend grasland niet langer ongeveer twintig procent, maar werd het ongeveer de helft van de beschikbare grond.

Hendrik heeft het boeren toch nog tot 1966 volgehouden. In dat jaar is hij via een soortgelijke saneringsregeling als in de jaren vijftig gestopt. In december 1965 diende Hendrik een “aanvraag voor vergoeding wegens beëindiging van het landbouwbedrijf” in bij de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw.9 Een dergelijke aanvraag was mogelijk als gedurende de drie jaar ervoor het bruto-inkomen niet meer bedroeg dan achtduizend gulden per jaar, waarvan minimaal vijftig procent afkomstig uit het bedrijf. Dat was bij Hendrik het geval. Vervolgens diende op verzoek van de genoemde stichting aangegeven te worden wat het toekomstige gebruik zou worden van alle bij het bedrijf behorende gronden en bedrijfsgebouwen. In april 1966 werd de goedkeuring voor die bestemming aan Hendrik verzonden, waarna in augustus de overeenkomst kon worden ondertekend en het bedrijf officieel per 30 juni 1966 werd beëindigd.

Het land werd verkocht aan buurman Antheunis Janse, die een boerderijtje van net tien hectare bezat. Ook de overgebleven pachtgrond nam Janse in gebruik. Een voorbeeld van (kleinschalige) schaalvergroting dus. De boerderij zelf werd verkocht aan Robert Hoegen. Uit de saneringsovereenkomst blijkt dat hieraan voorafgaand de veestalling in de schuur werd uitgebroken, om te kunnen voldoen aan de voorwaarde dat de gebouwen ongeschikt moesten worden gemaakt voor landbouwgebruik.

De koeien en alle gereedschap werden via een veiling van de hand gedaan. Op foto’s die ’s ochtends tijdens het moment van bezichtiging zijn gemaakt zien we een keurig aangeharkt erf, het gereedschap netjes tegen de schuur opgesteld en diverse boeren in hun nette kleding die komen kijken of er iets van hun gading bij is. Voor hen natuurlijk ook een mooi moment om bij te praten, maar de boer in kwestie zal er toch met gemengde gevoelens rondgelopen hebben...

Op basis van de regeling werd tot en met zijn vijfenzestigste, dus bijna acht jaar lang, elk jaar een bedrag van bijna vierduizend gulden, wat jaarlijks ook geïndexeerd werd, aan Hendrik uitbetaald. De hoogte van de uitkering werd puur op basis van de leeftijd van de eigenaar bij de bedrijfsbeëindiging bepaald. Hoe jonger, hoe minder er werd uitgekeerd. De saneringsbijdrage vulde Hendrik aan met een inkomen uit tuinonderhoud bij particulieren en scholen, voornamelijk in Middelburg waar ze inmiddels naartoe waren verhuisd. Hoewel hij geen boer meer was en geen land meer hoefde te bewerken, bleef hij op die manier toch buiten bezig.

Conclusie

Bovenstaand verhaal staat niet op zichzelf. Brusse en Van den Broeke geven in hun studie aan dat tussen 1950 en 1970 in Zeeland het aantal bedrijven tot tien hectare meer dan halveerde. Later wordt ook een teruggang in het aantal grotere bedrijven zichtbaar.10 Stoppen zou onvermijdelijk zijn geweest, ook zonder de ‘ontpachting’. Dat er een saneringsregeling bestond waarvan gebruik kon worden gemaakt, was dus mooi meegenomen. Dat het niet van harte ging, is natuurlijk een ander verhaal.

De kwestie van de ontpachting speelde ook breder. In april 1959 berichtten diverse kranten dat de minister van Landbouw reageerde op Kamervragen over ontpachting op Walcheren. Hierbij werd een aantal van 44 bedrijven genoemd die in totaal 87 hectare waren kwijtgeraakt. In vrijwel alle gevallen ging het om het afwijzen van verzoeken om pachtverlenging van grond waarmee eerder boerenbedrijven waren vergroot. Volgens de pachtwetgeving was het mogelijk om een dergelijk verzoek af te wijzen indien de verpachter of diens verwante(n) de grond persoonlijk als landbouwgrond in gebruik wilde nemen. Erkend werd dat de op Walcheren gehanteerde manier van bedrijfsvergroting achteraf gezien daarom niet de juiste was gebleken.11

De studies over de landbouw in Zeeland geven uiteraard de grote lijnen weer, zowel wat de ontwikkeling in de tijd betreft als de gemiddelde bedrijfsvoering. Met dit artikel is als mogelijke aanvulling hierop de bedrijfsvoering van een individueel bedrijf geschetst.

Wilbert Dingemanse

Noten

1. Van Cruyningen, p. 95.

2. Zie o.a. Zwemer, pp. 484-488.

3. Zwemer, p. 500.

4. De Dienst Landbouwherstel Bureau Wederopbouw Boerderijen adviseerde al in december 1945 een noodwoning te realiseren ten behoeve van zijn zoon Hendrik met zijn gezin. De nieuw te bouwen boerderij moest passend zijn voor een bedrijf met vier hectare bouwland, twee varkens en twee schapen (RCE, archief SHBO, BWBA, inv.nr. 3073). Van deze bebouwing is inmiddels niets meer over. Daarom wordt ze ook niet meer genoemd in de recente inventarisatie van noodboerderijen van Den Hollander en Murk (Meliskerke 2016).

5. Deze noodwoning van het type We is medio 2012 gesloopt, zie Den Hollander, pp. 42 en 60.

6. Van Cruyningen, pp. 99-100.

7. Van Cruyningen, pp. 97-99.

8. Van der Werff, p. 60.

9. Het fonds was in 1963 ingesteld, onder meer om bedrijfsbeëindiging te stimuleren, waarmee het hogere doel van een noodzakelijke structuurverandering in de landbouw gediend werd. Brusse, pp. 304-305.

10. Brusse, p. 319.

11. Onder andere de PZC van 21 april 1959, p. 4: ‘Ontpachting’ in het herverkavelde Walcheren.

Bronnen

‒ P. Brusse en W. van den Broeke, ‘Provincie in de periferie. De economische geschiedenis van Zeeland 1800-2000’. Utrecht 2005.

‒ P. van Cruyningen, ‘De landbouw; het begin van de vlucht naar voren’, in: J.P. Zwemer (red.), ‘Zeeland 1950-1965’. Vlissingen 2005. 

‒ J. den Hollander en R. Murk, ‘De Walcherse noodboerderijen en gedenkstenen in wederopbouwboerderijen. De eerste wederopbouwstenen op het herwonnen land 1946/1947’. Meliskerke 2016.

‒ M. de Vink, ‘De herverkaveling van Walcheren’. Middelburg 1947.

‒ W.A. van der Werff, ‘De herverkaveling van Walcheren’, in: Zeeuws Tijdschrift, 1952 (3).

‒ J. Zwemer, ‘Zeeland 1945-1950’. Vlissingen 2000.

‒ Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Archief Stichting Historisch Boerderij Onderzoek, Boerderijen Wederopbouw Archief, inv.nr. 3073.

‒ Zeeuws Archief, Archief Herverkavelingscommissie, inv.nr. 13.

Afbeeldingen

1. Van het huisje van Hendrik Dingemanse in Poppendamme bleef na de inundatie in 1944 weinig meer over. (coll. Dingemanse)

2. Een van de paarden van Hendrik Dingemanse bij de boerderij op Hoogelande. Rechts de ruïne van de kapel, ca. 1955. (coll. Dingemanse)

3. Noodwoning en schuur voordat de Hogelandseweg werd omgelegd, ca. 1950. (coll. Dingemanse)

4. De boerderij op Hoogelande, woonhuis met schuur. De voormalige noodwoning op de achtergrond, ca. 1955. (coll. Dingemanse) 

5. Kijkdag op de boerderij op Hoogelande, 1966. (coll. Dingemanse)

6. Uit: Zeeuws Tijdschrift, 1 maart 1952. (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland, Tijdschriftenbank)

7. De hofstede Parelvliet van de familie W. de Buck aan de Poppendamseweg, 1945. (ZB| Planbureau en Bibliotheek van Zeeland, Beeldbank Zeeland, P. Vreke, 54511)

8. De hofstede Parelvliet van de familie W. de Buck aan de Poppendamseweg, 1945. (coll. Dingemanse)

9. Parelvliet, 2013. (coll. Dingemanse)

 

 

 

 







Terug