Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen

Walcherse Weelde - Een penning uit 1916


Zeeland en de Eerste Wereldoorlog
In het vorige nummer van De Wete werd stilgestaan bij de bevrijding van Walcheren, 75 jaar geleden. In dit nummer wordt, met een verslag van de excursie naar Ieper, aandacht gevraagd voor de Groote Oorlog, de oorlog die alle andere oorlogen overbodig zou maken maar dat niet deed. Nederland was neutraal en kwam er betrekkelijk goed vanaf. Maar we beseffen nu maar al te goed dat door oorlogen miljoenen mensen van huis en haard worden verdreven en op de vlucht slaan. Dat was in 1914 niet anders. Zo trokken na de val van Antwerpen meer dan een miljoen Belgen naar Nederland, waarvan er naar schatting meer dan 400 duizend in Zeeland terechtkwamen. Velen van hen kwamen per trein of per boot in Vlissingen en Middelburg aan. De chaos was aanvankelijk niet te overzien. De meer gefortuneerde Belgen streken neer in hotels of huurden kamers bij particulieren. Zo huurden de schilder Emmanuel Viérin en zijn broer de architect Joseph Viérin de buitenplaats Ipenoord in Oostkapelle. Het leven is hier goed, lieten zij hun vriend Stijn Streuvels weten. Maar dat gold zeker niet voor de talloze minder gefortuneerde landgenoten die van de bedeling moesten leven. Voor hen was er nauwelijks sprake van fatsoenlijke huisvesting. Om aan die omstandigheden het hoofd te kunnen bieden werden door particulieren plaatselijk hulpcomités opgericht, al snel gecoördineerd door een provinciaal comité (het Provinciaal Comité tot hulpverlening aan vluchtelingen in Zeeland) en bijgestaan door vrouwencomités die een belangrijke rol gingen spelen in de administratieve opvang, de huisvesting en de financiële ondersteuning van vluchtelingen. Uiteraard waren het vooral de heren en dames uit de betere kringen die deze dankbare taak vervulden.

De geschiedenis van de Belgische vluchtelingen in Nederland is goed gedocumenteerd in meerdere publicaties. Dat geldt zeker ook voor de situatie in Zeeland. Zo schreef Leo van der Vliet in De Wete van oktober 2011 een bijdrage over de situatie in Middelburg en eerder verscheen in Den Spiegel van juni 2000 een bijdrage van Ad Tramper over Belgische vluchtelingen in Vlissingen. Gelukkig bleven niet alle vluchtelingen in Zeeland. Velen trokken al na korte tijd terug naar hun door de Duitsers bezette woongebieden. Winkeliers uit Antwerpen werden daar min of meer toe verplicht op straffe van verlies van hun bedrijf. Anderen namen de boot naar Engeland; de Stoomvaart Maatschappij Zeeland maakte in die periode, ondanks een fikse prijsverlaging, recordwinsten. Van de vluchtelingen die bleven, werden de minderbedeelden overgeplaatst naar centrale kampen in andere delen van het land. Dat was niet naar de zin van alle Zeeuwen, want er werd aan de vluchtelingen ook goed verdiend. Vluchtelingen die zichzelf konden onderhouden of een baan hadden gevonden mochten blijven en dat waren er genoeg, getuige de Belgische scholen die zowel in Middelburg als in Vlissingen werden opgericht. In de loop van 1915 stabiliseerde de toestand zich zodanig dat het werk van de plaatselijke hulpcomités goeddeels kon worden beëindigd. Het verslag van het provinciaal comité over de periode augustus 1914 tot 1 juli 1915 kan als een eindverslag worden opgevat, maar dat neemt niet weg dat de ‘vluchtelingenhulpinfrastructuur’ bleef bestaan. Ging het niet meer om huisvesting of financiële ondersteuning, dan kon scholing en werkverschaffing (Belgische naaischolen) nuttig zijn, of het inzamelen van boeken voor de Vlaamse soldaten in de loopgraven of de tijdelijke huisvesting van Belgische kinderen die naar Nederland kwamen om aan te sterken.

Santé à l’enfance
Het is nog niet zo lang geleden dat onze hoofdredacteur in zijn functie als archivaris van Veere de hand wist te leggen op een penning met aan de voorzijde de tekst “Santé à l’enfance. 1916”. De penning blijkt een duidelijke relatie te hebben met Walcheren, gelet op de dracht van het meisje dat een kom melk inschenkt voor Belgische kinderen. Melk, want in die tijd werden voor 25 cent lootjes verkocht ten bate van Liefdewerk ‘Melk voor de Kleinen’ van België. De achterkant van de penning toont een landschap met windmolen met de contouren van Veere op de achtergrond. De penning, met een doorsnee van ruim vijf centimeter, werd geslagen door de firma Fonson & Cie en ontworpen door Godefroid Devreese (1861-1941), een gelauwerd beeldhouwer. Devreese realiseerde vele standbeelden en gedenktekens en ontwierp penningen en medailles, waarvan hij in België als een vernieuwer wordt beschouwd. Hij toonde zich zeer begaan met het lot van de Belgische jeugd die zwaar te lijden had onder het oorlogsgeweld en het valt aan te nemen dat zijn bijdrage aan de penning belangeloos was, omdat de opbrengst ervan aan de kinderen ten goede zou komen. De penning maakt nu deel uit van de collectie van het Polderhuis in Westkapelle, waar hij te bewonderen is.

Intussen bleek zich ook een exemplaar van deze penning in het museum van Arnemuiden te bevinden die deel uitmaakt van de collectie penningen die M.W.R. van Vollenhoven (1882-1976), ambachtsheer van Kleverskerke, aan het museum schonk. Het kan geen toeval zijn dat mevrouw Van Vollenhoven erevoorzitter was van het centraal comité Santé à l’enfance. Veel informatie over de penning en het werk van Santé à l’enfance was er niet te vinden, maar na enig speurwerk vonden we in de Zeeuwse Bibliotheek een verwijzing naar de collectie-Sprenger, met onder meer de brieven en aantekeningen die Sprenger verzamelde over zijn werk voor Santé à l’enfance. De documentatiemap is in de kelders van de Zeeuwse Bibliotheek terug te vinden. In soms onleesbare handschriften en verbleekte doorslagen van brieven vangen we een glimp op van de werkzaamheden. Daaruit blijkt dat G.J. Sprenger, voorzitter van het Middelburgs comité voor hulp aan vluchtelingen, in 1916 eveneens voorzitter was van de Middelburgse afdeling van Oeuvre de la Santé à l’Enfance Belge. Doel was om zoveel mogelijk kinderen voor enkele weken naar Nederland te halen. Afgaande op de briefhoofden gaat het om een aanvankelijk in Antwerpen maar al snel in Den Haag gevestigde hulporganisatie, waarvan de namen in het ‘Comité d’honneur’ in aantal en zwaarte die van het uitvoerend comité overtreffen. Uiteraard was er ook sprake van een Zeeuws provinciaal comité, onder voorzitterschap van jurist en Statenlid Dieleman.

Zeven hulpcomités
Wat het Middelburgse comité betreft werd weinig aan het toeval overgelaten. Sprenger mocht over een comité beschikken dat bestond uit tien Middelburgse Heeren, bijgestaan door niet minder dan 24 Middelburgse Dames. Daarnaast waren er tientallen Belgische Heeren en Dames waarop Sprenger kon terugvallen voor huisvesting van de kinderen of voor een financiële bijdrage. Niet minder dan zeven hulpcomités werden in het leven geroepen die elk een specifieke taak hadden. Zo moest een comité in kaart brengen wie gratis kinderen wilde huisvesten, een ander comité wie dat tegen betaling wilde doen en een derde comité welke publieke middelen (zoals hotels) konden worden benut. Aanschaf en verdeling van speelgoed en versnaperingen vereiste een apart comité, zo ook de reparatie en aanschaf van kleding. Er was een comité voor de verpleging van kinderen waaronder werd verstaan de verzorging van de kinderen en een wandeling in de frisse buitenlucht, en er was een comité dat op de verpleging toezag. De meeste comités moesten met tien personen hun werk wel aankunnen, maar de bemanning van de twee laatstgenoemde vereiste minstens twintig mannen/vrouwen. Het centraal comité in Den Haag liet zich niet onbetuigd en stuurde hygiënische raadgevingen. Naast richtlijnen inzake de maaltijden werd onder andere eenmaal per week een zeepbad met hoofdwassing aanbevolen en om de twee dagen een voetenbadje en schone kousen. Werden kinderen ernstig ziek, dan moest onverwijld dokter Dallemagne aan het Lange Voorhout 17 in Den Haag worden gewaarschuwd. Daarnaast waren er reisvoorschriften. Kinderen werden op station Roosendaal opgehaald en daar ook weer teruggebracht. Er moest op worden gelet dat kinderen geen foto’s of brieven in hun bagage mee naar huis namen, de Duitse autoriteiten stonden dat niet toe. Uiteraard waren er ook nogal wat administratieve taken te vervullen en om het makkelijker te maken had ieder kind een kaart met persoonlijke gegevens. Helemaal soepel liep het niet. Bij de eerste zending kinderen kreeg Sprenger, die om 135 kinderen had gevraagd, er honderd toebedeeld. Maar op het station in Roosendaal stonden 66 kinderen te wachten en kreeg het Middelburgse comité een pakje met 73 kaarten mee, met als resultaat 16 kinderen zonder kaart en 23 kaarten zonder kinderen. Een boze Sprenger liet het nationaal comité weten hiervoor geen verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Het werd wel duidelijk dat vraag en aanbod niet met elkaar in overeenstemming waren en dat er ook op deze markt sprake was van concurrentie. Ook de financiering bleek niet zonder problemen. Toegezegde betalingen bleven uit. Dieleman van het provinciaal comité liet Sprenger weten dat hij voor 350 kinderen financiering zocht tot een bedrag van 13 duizend gulden (kosten met kleding). Niet zelden moest een beroep worden gedaan op de vrijgevigheid van de beter bedeelde stadsgenoten en de Belgische Heeren.

Dieleman wees Sprenger op het bestaan van een Belgisch gezelschap in Vlissingen dat graag bereid was ook in Middelburg benefietvoorstellingen te geven. En, zo stelde hij: “Het is Uw Comité uitnemend toevertrouwd om de bekende Middelburgsche liefdadigheid ook voor de Belgische kinderen aan te wenden.” Sprenger nam de handschoen op en in november 1916 werd een pamflet gepubliceerd waarin we onder andere kunnen lezen: “Zeer veel wordt er in deze tijden van ons gevraagd, maar voor zover wij zelf als Nederlanders buiten de verschrikkelijkheden en schade van een oorlog mogen blijven als tot heden, of hetzij Nederlanders dan wel Belgen over een behoorlijk inkomen kunnen beschikken, mogen wij het ons een eer en voorrecht rekenen een offer van dankbaarheid te brengen door voor de kinderen van een geslagen volk in welks land de toestand zo benard is althans iets te geven opdat het toekomstige geslacht krachtig en in staat zij in dagen van vrede de moeilijke strijd om het bestaan te strijden. Op een ruime bijdrage wordt dan ook gerekend.” Er was in het pamflet voldoende ruimte gespaard om onder deze oproep alle inmiddels negentien namen te vermelden van het lokaal comité te Middelburg alsmede de 33 namen van het provinciaal comité, zodat volstrekt duidelijk was dat in de betere kringen de oproep niet genegeerd kon worden. Teleurstellingen werden Sprenger niet bespaard. In een brief van 20 januari 1917 meldde het centraal comité dat de Duitsers eisten dat Belgische kinderen die tijdelijk in Nederland verbleven, voortaan collectief moesten worden geplaatst. Daartoe was in Vlissingen het Strandhotel afgehuurd, waar plaats was voor de toegezegde honderd kinderen. Middelburg, waar het weeshuis in gereedheid was gebracht voor 25 kinderen, bleef met lege handen achter. Wel mocht Sprenger rekenen op kinderen die tot aan het eind van de oorlog ‒ liefst gratis ‒ bij particulieren konden worden ondergebracht (brief van 22 januari 1917). En passant vroeg het centraal comité naar een opgave van de in Middelburg ingezamelde gelden. Eind maart werd in de Middelburgsche Courant een oproep geplaatst om Belgische kinderen voor de duur van de oorlog (desnoods tegen vergoeding) in huis te nemen. Opgeven bij “mevrouw Van Regteren Altena-Mollerus voor Zaterdag 14 April a.s. ’s middags om 12.00 uur, Dam F no. 152/153”. Eind april hielden twee geplaatste kinderen die difterie bleken te hebben, de gemoederen bezig. Toen het centraal comité op 30 september 1917 op zuinigheid had aangedrongen, stelde Sprenger de onkostenvergoeding per kind per maand vast op 6 gulden en 10 gulden voor twee kinderen, wat een bezuinigingsmaatregel was. Het centraal comité toonde zich tevreden. Per brief van 6 oktober 1917 laat het weten: “Uwe manier van doen brengt welzeker een niet onbelangrijke besparing te weeg. Wij hebben de zekerheid dat de kinderen in Middelburg goed verzorgd zijn en goed bewaakt.”
Maar er waren ook meer aangename kanten aan het werk van Santé. Zo werd de verjaardag van de Belgische koning uitbundig gevierd in het Schuttershof en werden er lezingen en culturele bijeenkomsten georganiseerd, alles ten bate van het werk van het lokaal comité.

Dankbaarheid
Menig auteur wijst erop dat de Belgische vluchtelingen warm werden onthaald, maar dat na verloop van tijd toch enig gemor ontstond. De Belgen zouden beter behandeld worden dan autochtone Zeeuwen en mochten eigen scholen en ontmoetingsplaatsen inrichten. Maar de Belgen hier op Walcheren waren de Zeeuwen zeer dankbaar. Aan het eind van de oorlog organiseerde de Belgische kolonie een feestje voor de stad Middelburg waarin de Belgen hun erkentelijkheid voor de opvang (niet zonder enig pathos) tot uitdrukking brachten:

En Sprenger kreeg zijn oorkonde, getekend op de dag van de wapenstilstand.

Ten slotte
Maar niet alle Belgen waren zo dankbaar. De geschiedenis leert dat de afhandeling van de Eerste Wereldoorlog de kiemen in zich droeg van de Tweede Wereldoorlog. Dat gold, zij het in mindere mate, ook voor de relatie tussen België en Nederland. Al aan het begin van de oorlog ging het gerucht dat België de Scheldekwestie wilde oplossen door de annexatie van Zeeuws-Vlaanderen en de kusten van Walcheren en Zuid-Beveland. In de Middelburgsche Courant werd het breed uitgemeten. De annexatiekwestie, maar dan beperkt tot Zeeuws-Vlaanderen en Limburg, zou na de oorlog de kop weer opsteken en de relatie met België langdurig vertroebelen. Eigenlijk werd pas na de Tweede Wereldoorlog de zaak min of meer gepacificeerd met verschillende Scheldeakkoorden, met name met het akkoord van 1963 waarin tot de aanleg van de Schelde-Rijnverbinding werd besloten.

Leo Faase


Voorzijde van de penning Santé à l’enfance, 1916. Zeeuwse kinderen schenken melk en voedsel aan Belgische kinderen. (Polderhuis, foto Ida Doorenweerd)

Achterzijde van de penning. Zeeuws landschap met silhouet van Veere. (Polderhuis, foto Ida Doorenweerd)

Actie ‘Melk voor de Kleinen’. (ZB, personendossier Sprenger, foto Ida Doorenweerd)

Erkentelijkheidsoorkonde voor G.J. Sprenger. (ZB, personendossier Sprenger, foto Ida Doorenweerd)


Walcherse Weelde






Terug