Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een ringetje te halen
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten

De geschiedenis van het Oranjebos bij Oostkapelle



Vanaf de middeleeuwen tot aan de Franse tijd vormde de huidige Koningin Emmaweg globaal de grens tussen de heerlijkheid Oostkapelle en het markizaat van Veere. In de geschiedenis van dit markizaat speelden de Oranjes eeuwenlang een hoofdrol. De namen Oranjezon en Oranjebos getuigen daar nog van. Het hakhout van het Oranjebos was toen een niet onbelangrijke inkomstenbron voor het markizaat. Veel gegevens over het beheer en de exploitatie van het bos en zijn omgeving zijn bewaard gebleven in de archieven van de Nassause Domeinraad. Met behulp van deze en andere gegevens kunnen wij nu de historische ontwikkeling en het gebruik van dit gebied reconstrueren.

De vroegste geschiedenis van het noordelijk duingebied van Walcheren

Het duingebied van het huidige Oranjezon had in de late middeleeuwen nog grotendeels het karakter van een schaars begroeide strandvlakte. In het midden van de zestiende eeuw werd het nog omschreven als “dat groete scoor ofte scaperie, die tiegensover tland van Schouwen leyt”. In deze periode begonnen de duinen van Oostkapelle zich geleidelijk in oostelijke richting uit te breiden. Daarbij werd het gedeelte van de strandvlakte ten westen van de Beekshoekpolder, waar nu de uitspanning Oranjezon en het Oranjebos liggen, afgesnoerd van de zee. Op deze strandvlakte, die voor een deel ook later nog met duinzand is overstoven en opgehoogd, is bos ontstaan of mogelijk ook geplant. Hoe deze allereerste voorlopers van het huidige Oranjebos zijn ontstaan, is niet precies bekend. Op de ‘Zelandiae Descriptio’, een panorama van Walcheren uit 1550, komt ter plekke van het huidige Oranjebos al bos voor. In 1612 is er een opmeting van het duingebied tussen Oostkapelle en Oranjezon. Het bos was toen circa 25 hectare groot en bestond geheel uit elzen- en wilgenhakhout. Het omvatte slechts een gedeelte van het huidige Oranjebos. Daarnaast maakte ook bos in de Beekshoekpolder deel uit van dit complex. Kleine gedeelten van het huidige Oranjebos werden toen gebruikt als zaailand. De omringende duinen werden verpacht als konijnenwarande. Mogelijk is het bos in de loop van de vijftiende of zestiende eeuw aangelegd door de heren van Veere. Dat past in een bredere ontwikkeling van bos en hakhout in het gebied ten oosten van Domburg, waar in die periode veel hakhout werd aangelegd. Na de opstand tegen koning Filips II werd Willem van Oranje in 1581 markies van Veere en daarmee kwamen de duinen en het hakhoutbos in handen van de Oranjes. In de zeventiende en achttiende eeuw werd het bos meestal aangeduid als het (de) Markies- of Prinsenbos(sen). De naam Oranjebos kwam pas na de Franse tijd in zwang.

De Prinsenvijver

In de zeventiende en achttiende eeuw werden de vronen en duinen van Oostkapelle door de Nassause Domeinraad steeds in twee gedeelten verpacht: “de Eerste en de Tweede Partij Oostduijnen, scheidende aan de Vijverdam”. Het gaat hier om een dam in de zogenoemde Prinsenvijver, ook nu nog een markant element in het Oranjebos en het aangrenzende Oranjezon. Deze langgerekte waterpartij ligt op een eeuwenoude grens, die in ieder geval teruggaat tot de middeleeuwen en mogelijk nog verder in de geologische geschiedenis van noordelijk Walcheren. In de zeventiende en achttiende eeuw wordt de vijver in rentmeesterrekeningen ook wel aangeduid als “de oude kreek”. Hij speelde toen een belangrijke rol in de afwatering van het bos en het vroonland. Tot in de eerste decennia van de achttiende eeuw waterde deze kreek met behulp van gemetselde en houten duikers af op het voorliggende schor (het zogenaamde Prince Schorre, zoals weergegeven op de kaart van de gebroeders Hattinga).

Waarschijnlijk is de Prinsenvijver het restant van een oude kreek die vanuit het huidige polderland in noordelijke richting naar zee heeft afgewaterd. Zo laat de bodemkaart van Walcheren juist ter hoogte van Overduin en de Prinsenvijver een kreekbedding zien die dood lijkt te lopen tegen het hedendaagse duinlandschap. Het gaat hier waarschijnlijk om de bedding van een oude schorkreek, die zich als een natuurlijke afwatering heeft kunnen handhaven toen de duinen zich in de late middeleeuwen in oostelijke richting gingen uitbreiden. De kreek is lang een zwakke plek in de zeewering gebleven. Nog in 1745 maakte men zich zorgen dat de duinen hier konden doorbreken. Er werd toen arbeidsloon betaald om de duinen vast te leggen “ter voorkoming van doorbraken, dat het water bij hoge vloed geen doorganck zoude krijgen tusschen de Eerste en Tweede Partij Oostduijnen”. We kunnen ons dit nu moeilijk voorstellen, want de Prinsenvijver wordt nu door massief duin van een kilometer breed gescheiden van het strand en de zee. Het tracé van “de oude kreek” is op de grens van het Oranjebos en het duingebied Oranjezon echter nog een flink eind te volgen. Het houdt op ter hoogte van het ‘nieuwe’ waterleidingkanaal, dat in de jaren zestig van de vorige eeuw is gegraven. Hier begint het duinmassief. Dit massief is in zijn huidige omvang echter pas in de negentiende eeuw ontstaan. Daarvoor was het duinlandschap hier veel lager en opener en had de zee, zeker bij stormvloeden, waarschijnlijk nog toegang tot de lage vallei van het Princeschor en mogelijk nog wel verder.

Het hakhoutbeheer in de zeventiende en achttiende eeuw

Het hakhoutbeheer van de Prinsenbossen had in de zeventiende en achttiende eeuw een vijfjarige cyclus. Ieder jaar werd op de hoeve Oranjezon tussen Kerstmis en Nieuwjaar een grote houtverkoping gehouden. Op deze veiling werd dan het te hakken hout van ongeveer een vijfde van alle bospercelen publiek verkocht. De kopers kochten het hout ‘op stam’, dat wil zeggen dat zij het zelf moesten hakken. De houtverkoping was een gebeurtenis van formaat. Om kopers te lokken werden jaarlijks twee halfvaten bier besteld. Verder gaven ook autoriteiten, zoals de rentmeester van het markizaat, de schout van Veere en de deurwaarder, acte de présence. Zij werden daarbij onthaald op een copieuze maaltijd. Het gekochte hout moest vóór 1 maart volgend op de verkoping gehakt en uit het bos gedragen zijn.

In de zeventiende eeuw werd bij de verkoop onderscheid gemaakt tussen elzenhout en wilgenbomen, die in aparte partijen werden verkocht. Waarschijnlijk gaat het hierbij om percelen elzenhout en rijen of percelen knotwilgen. De laatste stonden mogelijk als beschuttende beplanting om het voor zeewind gevoelige elzenhout heen. Vóór 1650 bestond bijna 40 procent van de verkochte partijen uit wilgenhout, welke gemiddeld iets minder opbrachten dan de partijen elzenhout. In de loop van de zeventiende eeuw nam het aandeel wilgenhout geleidelijk af. Vanaf circa 1700 wordt er in de rentmeesterrekeningen geen onderscheid meer gemaakt tussen beide houtsoorten. In deze periode werden er ook regelmatig jonge knotwilgen geplant. Om de wilgen te beschermen tegen konijnenvraat werden in de zeventiende eeuw ieder jaar honderden stammen van knotwilgen omwonden met stro of braamtakken.

In de tweede helft van de achttiende eeuw deden zich duidelijk veranderingen voor in het bosbeheer. Onder invloed van veranderende economische omstandigheden en stijgende houtprijzen waren er vanaf 1765 verschillende initiatieven om oud bos te vernieuwen en het bestaande bos uit te breiden. Daarbij werden gedeelten van het omringende vroongrasland bebost. Tot dat moment werd dit vooral begraasd door konijnen en vanaf circa 1750 ook met runderen. In het bos zelf werden op grotere schaal dan voorheen opgaande bomen (‘overstaanders’) geïntroduceerd. Zo werden in 1789 in een nieuwe aanplant elzenhakhout ook essen geplant, “om van dezelve bomen te kweken”. In deze periode was er ook sprake van aanplant van eiken en esdoorns en werd geëxperimenteerd met de introductie van naaldbomen. Langs de dijk en de wegen werden iepen en populieren geplant. In het laatste geval ging het waarschijnlijk om de (inheemse) zwarte populier en niet om de canadapopulier, die in de loop van de achttiende eeuw in Nederland is geïntroduceerd. In  ieder geval komen op dit moment langs de Koningin Emmaweg nog acht oude zwarte populieren voor.

Het plantmateriaal voor de bosverjonging en -uitbreiding kwam veelal van elders. Zo werden er in de tweede helft van de achttiende eeuw vele honderdduizenden jonge elzenboompjes aangevoerd uit de omgeving van Boskoop en uit West-Brabant. Ook voor jonge eiken en esdoorns waren Boskoop en Breda belangrijke herkomstgebieden. De jonge aanplant maakte ook een intensiever onderhoud van het bos nodig. Men was bang dat onkruid als “hoppe, wilde wijgerd, braamen en wat dies meer is” de jonge boompjes zou gaan overwoekeren. Daarom werd het nodig gevonden de aanplant “behoorlijk te zuiveren en blank te kappen”. Aanvankelijk paste men deze maatregel alleen in de jonge hakhoutpercelen toe, maar in de laatste decennia van de achttiende eeuw werden ook grote delen van het oudere hakhout regelmatig gespit of ‘blank gekapt’. Ook de waterlossing van het bos kreeg in de achttiende eeuw een intensiever onderhoud. Al deze maatregelen kostten natuurlijk veel geld. Het netto rendement van het hakhoutbos was daarom vanaf het midden van de achttiende eeuw, ondanks de hogere inkomsten, veel minder dan in de zeventiende eeuw.

Vroege relaties met de buitenplaats Overduin

Hoewel het Oranjebos pas in de eerste helft van de negentiende eeuw deel ging uitmaken van de buitenplaats Overduin, waren er ook voor die tijd al relaties met die buitenplaats aan de zuidkant van de Koningin Emmaweg. Dat begon in het midden van de zeventiende eeuw. De naam Overduin bestond toen nog niet en mr. Pieter Alleman was eigenaar van een voorloper met de naam Bleeckerij. Hij heeft in of rond 1652 vanaf zijn hofstede in noordelijke richting een rijweg gemaakt over de eigendom van de prins “met doorgravinge van seeckere hoogte ofte dijckje, sonder syne hoogheit daer in te kennen of behoorlijk consent daar toe te versoecken”. Dat kon het Nassause domein natuurlijk niet over zijn kant laten gaan. Het resulteerde erin dat er een erfpacht werd afgesloten tegen een cijns van één schelling per jaar. Deze afspraak werd gemaakt in 1659, maar de onrechtmatige daad had kennelijk al enkele jaren daarvoor plaatsgehad, want er werden dat jaar zeven schellingen geïncasseerd.

Het bleef overigens niet bij deze ontsluiting in noordelijke richting. In de jaren tachtig van de zeventiende eeuw was Huijbrecht de Haze eigenaar van de “hofstede genaamt Overduijn”. Hij was ook rentmeester van het markizaat van Veere en kreeg in februari 1683 toestemming van de Nassause domeinraad om “zekere wegh” lopende voorbij de laan van zijn hofstede te beplanten met bomen. Omdat het hier om een nieuwe afspraak gaat, waarvoor apart betaald moest worden, is dit waarschijnlijk een tweede dreef. Omstreeks 1720 zijn nog afspraken gemaakt over een derde dreef vanuit Overduin door het gebied van het huidige Oranjebos. Dat blijkt in 1798, toen Pieter Warre kort eigenaar was van Overduin. Hij beëindigde de erfpachten voor de verschillende dreven in het Oranjebos. De opbrengsten van de gekapte bomen werden gedeeld tussen hem en het domeingezag. Er was toen nadrukkelijk sprake van drie dreven, waarvan de erfpachten respectievelijk in hun 146ste, 116ste en 80ste jaar waren. De functie van deze dreven is niet helemaal duidelijk. Ze hadden deels het karakter van een ontsluiting (“rijweg”) naar wat nu de Koningin Emmaweg is en mogelijk ook naar het achterliggende duingebied. Daarnaast hadden deze dreven waarschijnlijk ook het karakter van zichtassen, die bijdroegen aan de achttiende-eeuwse luister van de buitenplaats. In ieder geval waren Overduin en het huidige Oranjebos voor 1800 dus al bijna honderdvijftig jaar met elkaar verbonden.

Het bos in de Franse tijd

Op 10 augustus 1816 getuigen Willem Philipse, boswachter te Vrouwenpolder, en Leunis de Rijke, landman onder Serooskerke, voor de notaris te Veere dat zij op 25 april 1814 “zig hebben begeven na de hofsteede genaamt De Orange Zon… en aldaar met alle nauwkeurigheid hebben geëxamineerd de boomen en troncken, die door de directie van de Fransche genie waren afgehakt en gevelt en bevonden het getal van twee honderd zeven en twintig boomen met hun takken en tronken”. Het is dan voor het eerst in de tweehonderdjarige geschiedenis van het Oranjebos dat er een boswachter ten tonele verschijnt. Waarschijnlijk is deze functie, met veel andere regelgeving op het gebied van het bosbeheer, in 1810 door de Fransen geïntroduceerd. Willem Philipse was rond 1800 al actief bij verschillende werkzaamheden in het bos. Hij was daarom waarschijnlijk de aangewezen persoon om deze functie te vervullen.

Een tweede belangrijk gegeven is de houtroof die hier rond 1814 kennelijk heeft plaatsgehad. Afgaand op een inventarisatie die plaatsvond in 1792, en die circa 370 opgaande bomen vermeldt ouder dan veertig jaar (exclusief knotbomen), is het waarschijnlijk dat het Franse leger meer dan de helft van het opgaande hout in het toenmalige Oranjebos heeft geroofd.

De bossen en duinen onder Vrouwenpolder maakten rond 1800 een dynamische tijd door. Na de inval van de Fransen (1795) werden de goederen van de Nassaus, en dus ook die in het markizaat van Veere, overgedragen aan de Bataafse Republiek. In 1811 werd de Bataafse Republiek ingelijfd bij Frankrijk. De lange reeks van rekeningen en verslagen in het archief van de Nassause Domeinraad, die begint in 1620, eindigt in 1810 en er zijn geen andere bronnen die deze leemte opvullen. De aanduiding van het huidige Oranjebos op de eerste kadasterkaart met de naam “Bois Imperial” getuigt nog van de korte periode waarin dit bos deel uitmaakte van het Franse keizerrijk. Waarschijnlijk is het hakhoutbeheer ook in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw voortgezet, maar het ontbreekt aan historische bronnen die dit documenteren.

Verandering van eigenaar

Na het vertrek van de Fransen kreeg het domeinbeheer in het begin van de negentiende eeuw een geheel ander karakter. Het Amortisatiesyndicaat speelde daarin een belangrijke rol. Deze instantie werd opgericht in 1822 om de staatsschuld te verminderen en om projecten van algemeen nut te financieren, zoals de aanleg van wegen en kanalen en het droogleggen van polders. Een van de inkomstenbronnen van het Amortisatiesyndicaat was de verkoop van domeinen. De domaniale duinen en bossen aan de noordkant van Walcheren vielen in deze periode in drie gedeelten uiteen. De duinhoeves en het vroonland behoorden tot de Kroondomeinen, die waren bedoeld om de koning van inkomsten te voorzien. De buitenduinen werden in deze periode min of meer aan hun lot overgelaten en vielen onder het beheer van de Staatsdomeinen. Het Prinsenbos of Oranjebos ten slotte werd aangewezen om, net als veel andere domeinbezittingen in Nederland, te worden verkocht. In Catalogus no. XXV van de Administratie der Domeinen, Wateren en Bosschen in het vierde ressort Provincie Zeeland uit 1826 werd als 55ste koop aangeboden “Een Bosch genaamd de Oranjezon bestaande uit olme, eike, elze en populiere hoogstammige boomen, benevens hakhout, groot in massa 43 bunderen, 3 roeden en 43 ellen verdeeld in vijf kavels”. Eerder al, in april 1825, kregen Marinus Janse Poppe en Andries Lourens Wisse de opdracht “op te nemen en te waarderen (…) het houd (…) en den grond (…) van het Domaniaal Bosch de Oranjezon”. Deze waardebepaling gebeurde in vijf kavels, te weten:

Kavel 1 Achterste Vijver Bosch

Kavel 2 Het Voorste Vijverbosch

Kavel 3 Het Bosch achter de Schuur

Kavel 4 Het Koebosch

Kavel 5 Het Noordbosch

Uit de stukken blijkt dat het bos dan opgaande bomen heeft, zoals iepen, eiken, elzen en populieren, en een onderbeplanting van hakhout. Het bos is in die jaren tweemaal geveild, beide keren op een openbare veiling in Middelburg. De eerste maal, op 28 augustus 1826, werd er niet op deze koop geboden. De tweede keer, op 17 september 1828, werd Dirk Dronkers, “aanneemer van publieke werken te Middelburg”, voor f 13.500 eigenaar van alle vijf kavels. Het bos was op dat moment nog verpacht aan H.W. Roelse, die ieder jaar een pacht betaalde van f 31,87 en ½ cent. Dronkers was in 1801 in Axel geboren en werkte tot 1824 als opzichter bij Waterstaat in Zeeuws-Vlaanderen. Daarna vestigde hij zich als aannemer. Dronkers ontwikkelde een groot aantal initiatieven in Zeeland, maar was vooral actief met bedijkingen en dijkherstel. Vanuit deze achtergrond is zijn belangstelling voor het Oranjebos te begrijpen. Met de aankoop van dit gebied verzekerde hij zich van een vaste aanvoer van rijshout voor dijkherstel en -aanleg.

Het Oranjebos wordt onderdeel van de buitenplaats Overduin

Dirk Dronkers is overigens niet lang eigenaar van het Oranjebos geweest. Waarschijnlijk is het bos rond 1840 gekocht door jonkheer W.C.M. de Jonge van Ellemeet, die in 1839 ook eigenaar was geworden van de buitenplaats Overduin en deze buitenplaats toen opnieuw heeft ingericht en hier een nieuw landhuis heeft laten bouwen. In ieder geval werd in 1839, naar een ontwerp van J.D. Zocher, in het Oranjebos een zichtlaan aangelegd die enkele jaren later ook als schietbaan dienst deed. De Jonge van Ellemeet was majoor-commandant van de eerste rustende schutterij in Zeeland. De laan werd al voor 1850 als schietbaan door de rustende schutterij gebruikt voor schietoefeningen. Dit maakt aannemelijk dat De Jonge van Ellemeet rond 1840 al eigenaar was van het Oranjebos. In 1885 werd de schietbaan volgens de Middelburgsche Courant in gebruik genomen door de door De Jonge van Ellemeet opgerichte Oostkapelse buksschietvereniging Nuttig en Aangenaam. Vanaf 1902 oefende de Oostkapelse weerbaarheidsvereniging Soranus op de schietbaan.

De Jonge van Ellemeet wilde zijn bezit ook uitbreiden in de aangrenzende duinen, die in de negentiende eeuw sterk aan verstuiving onderhevig waren. Deze interesse blijkt uit verzoeken die hij in 1865 richtte aan het toenmalige Kroondomein en het Staatsdomein. Hij wilde de duinen in erfpacht krijgen om ze in cultuur te brengen. Dit leidde tot de instelling van een commissie, waarin niet alleen de twee domeindiensten maar ook Rijkswaterstaat en de Centrale Directie van de Polder Walcheren deelnamen. De commissie correspondeerde uitvoerig met de minister van Binnenlandse Zaken. Ook werd W.C.H. Staring, geoloog en deskundige op het gebied van de ontginning van woeste gronden, bij de beoordeling betrokken. De commissie kwam niet gemakkelijk tot een conclusie; men stelde allerhande voorwaarden en dacht na over een openbare verpachting, waarbij men de erfpachters de stuivende duinen wilde laten vastleggen. Staring pleitte er juist voor De Jonge van Ellemeet zoveel mogelijk de vrije hand te geven, áls hij de duinen maar zou ontginnen en beplanten. Het eind van het liedje was dat De Jonge van Ellemeet na enkele jaren afzag van zijn duinplannen.

Wat valt er in het Oranjebos nog te zien van de oude geschiedenis?

Wie anno 2022 door het Oranjebos wandelt kan nog veel elementen herkennen die verwijzen naar de rijke geschiedenis van dit oude hakhoutbos. Dat is allereerst natuurlijk de oude kreek of Prinsenvijver. Recent heeft natuurbeheerder Het Zeeuwse Landschap het kreekrestant ook in het duingebied Oranjezon weer meer zichtbaar gemaakt, waardoor de loop nog beter te volgen is. Niet alleen het kreekrestant, maar ook het greppel- en kavelpatroon van het bos dateren voor een deel nog uit de late middeleeuwen. Het lanenpatroon is grotendeels achttiende- en begin-negentiende-eeuws, zoals oude kaarten laten zien. De schuine, in 1839 door J.D. Zocher ontworpen laan c.q. zichtas is, behalve door zijn oriëntatie op het huis Overduin, ook herkenbaar aan de aanwezigheid van twee (beschadigde) tuinbeelden van sfinxen, die mogelijk dateren uit de tijd van de aanleg van deze laan. Verspreid door het bos zijn ook nog flinke oppervlakten voormalig elzenhakhout te zien. Enkele van deze hakhoutpercelen zijn in de laatste jaren weer gekapt, om zo het oude hakhoutgebruik in herinnering te roepen. Bijzonder is ook de aanwezigheid van enkele gedeelten met oude essenstobben, waarschijnlijk restanten van hakhout dat in de negentiende eeuw is geplant. Essenhakhout met zulke grote en oude stobben komt in Zeeland niet veel voor. Opvallend zijn verder grote opgaande eikenbomen en een aantal coniferen. Ook zij zijn waarschijnlijk in de loop van de negentiende eeuw geplant. Langs de Koningin Emmaweg vallen nog acht grote zwarte populieren op. Zij zijn waarschijnlijk de nazaten van in en rond het bos geplante (inlandse) zwarte populieren, in een tijd toen de verwante canadapopulier in Nederland nog niet wijd verspreid was.

Hoewel niet direct van historisch belang heeft het Oranjebos ook bijzondere natuurwaarden. Het grootste deel van de bodem van het Oranjebos bestaat uit kalkarm duinzand. Plaatselijk komt echter ook klei aan de oppervlakte. Dit is onder andere het geval in de omgeving van de Prinsenvijver. Waarschijnlijk gaat het hier om de oude delfspecie die uit bodem van de vijver naar boven is gebracht. Ook op sommige laaggelegen gedeelten en langs greppels vindt men een kleiige bovengrond. Dergelijke plekken kenmerken zich door een bijzondere plantengroei, met onder andere de stengelloze sleutelbloem (bakkruudjes), het bosviooltje en de boskortsteel, allemaal plantensoorten van niet al te zure bosgrond.

Anton M.M. van Haperen

Disclaimer:
Dit webartikel is verschenen in De Wete van april 2022. In deze papieren uitgave zijn de noten en verwijzingen naar literatuur en bronnen opgenomen.


De geschiedenis van het Oranjebos bij Oostkapelle






Terug