Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een 'ringetje' te halen

Gries' verleden



De Veerse mummiekat ontrafeld

Gries ziet het daglicht
Gries, de gemummificeerde kat uit de Grote Kerk van Veere, heeft al veel stof doen opwaaien sinds hij in 2008 door archivaris Peter Blom naar Zeeland teruggehaald werd uit een jarenlange ballingschap. Intussen maakt de kat deel uit van een prachtige historische experience die in juni 2020 in de kerk werd geopend en heeft recent wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat Gries een van de oudste mummiekatten is die in Europa gevonden zijn.

Voor het moment waarop de kat voor het eerst sinds eeuwen weer het daglicht zag, moeten we terug naar het jaar 1958. In die tijd was van systematisch archeologisch of bouwhistorisch onderzoek nog weinig sprake en met het wetenschappelijke belang van de vondstcontext werd nauwelijks rekening gehouden. Het ging om mooie voorwerpen, curiosa, die prachtig uitgestald in blinkende vitrines de monden van de bezoekers konden doen openvallen. Het verhaal achter deze objecten was daarbij van ondergeschikt belang. De vondstomstandigheden waarin Gries het daglicht zag zijn bijgevolg nauwelijks of niet gedocumenteerd. Toch zijn enkele zaken bekend. De Rijksgebouwendienst voerde tussen 1950 en 1970 regelmatig restauratiewerken uit in de kerk. Dit staat te lezen in de Provinciale Zeeuwsche Courant van 21 december 1959. Op een foto in het artikel is te zien dat de kerk aan de binnenkant aan de zuidzijde volledig in de steigers staat. Ook aan de buitenzijde was dat het geval. In de tekst wordt het zuidtransept en meer bepaald de zuidelijke muur ervan expliciet genoemd als de plek waar metselaars en restaurateurs in 1958 en 1959 intensieve herstelwerkzaamheden uitvoerden.

Uit een getuigenis van de zoon van de Veerse burgemeester Den Beer Poortugael weten we dat metselaar Kees Luijk de kat in 1958 gevonden heeft in een muur van dit zuidelijke transept. Uit datzelfde jaar is een vervoersreçu bekend op naam van de vrouw van de burgemeester en bij het lichaam van de kat zat een handgeschreven notitie met de tekst “A. Gouwloos, Ingemetseld in Grote Kerk Veere”. Helaas zijn deze papieren zoekgeraakt tijdens de omzwervingen van Gries.
Van vergelijkbare vondsten in het buitenland, met name in het Verenigd Koninkrijk waar het grootste aantal katten is gevonden, weten we dat katten en andere afwerende voorwerpen vaak onder de drempels of in de nabijheid van toegangen ingemetseld werden. Hoewel we het wellicht nooit glashard kunnen aantonen, lijkt het er dus sterk op dat Gries destijds in de zone rond de toegang tot het zuidtransept gevonden is. Een bijkomend argument hiervoor is de uitstekende conservering van de kat. Hoe kon een kwetsbare kattenmummie al die eeuwen ongeschonden doorstaan? De Grote Kerk kent immers een turbulente geschiedenis. De soldaten van Napoleon hielden er begin negentiende eeuw flink huis. Ze timmerden ramen dicht, sloegen grafzerken stuk en brachten diverse verdiepingen en verdelingen aan in de kerk. Ook later werd het monumentale gebouw voor diverse doeleinden ingericht.

De grootste catastrofe in de Grote Kerk was echter de brand van 1686. Op 25 mei van dat jaar veroorzaakten onvoorzichtige dakwerkers een niets ontziende brand die het dak van het middenschip in lichterlaaie zette en de centrale vieringtoren deed instorten. Deze immense brand moet een dramatische impact hebben gehad op de in de kerk aanwezige relicten. Toch bleef de ingemetselde kattenmummie gespaard. Als Gries daadwerkelijk rond de zuidelijke muur van het zuidtransept ingemetseld was, kan dat een verklaring zijn voor het feit dat hij ongeschonden uit de vlammenzee gekomen is. Aangezien de kern van de vuurhaard zich centraal op het middenschip bevond, is het niet onaannemelijk dat het noordelijke en het zuidelijke transept deels de dans ontsprongen zijn of een stuk minder aangetast zijn door het vuur. Het transept van de Grote Kerk is vandaag aan de binnenzijde onherkenbaar veranderd. De vloer is opgehoogd en er zijn kantoren, vergaderzaaltjes, opslagruimtes en sanitair in aangebracht. De hoop op het aantreffen van bouwsporen die terug kunnen leiden naar de werken uit het midden van de twintigste eeuw is hierdoor gering.

Omzwervingen
Na de ontdekking van Gries door metselaar Kees Luijk werd de lugubere vondst gepresenteerd aan de burgemeester van Veere, Idzerd Frans den Beer Poortugael. Dit is het begin van een opmerkelijke zwerftocht die door Jan Midavaine in De Wete van oktober 2008 nauwgezet in kaart is gebracht. Na een jarenlang verblijf op de zolder van de burgemeesterswoning schenkt Den Beer Poortugael de kat aan zijn oudste dochter Machteld en haar man Thomas Peter van Laarschot. Gries verhuist rond 1963 naar hun nieuw opgebouwde hotel De Patrijs in Colijnsplaat waar hun dochter Marianne hem geregeld voor haar ontstelde vriendinnen tevoorschijn haalt en hij zelfs een tijdje op de toog van de gelagzaal wordt geëxposeerd. Als De Patrijs rond 1985 door Machteld en Thomas Peter ingeruild wordt voor een woning in Wissenkerke gaat Gries in een cadeauverpakking naar een kennis in Veere. Wie dat was, is niet bekend.

Ook deze kennis raakt op den duur uitgekeken op het gemummificeerde dier en via via wordt de kat rond de eeuwwisseling verkocht aan Abbey Green Antiques van Jos te Water Mulder in Utrecht. Als Gries vervolgens in 2001 met antiquair Te Water Mulder meereist naar Londen als macaber curiosum op diens verkoopstand, trekt hij de aandacht van een Engelse verzamelaar die meteen een aanzienlijk bedrag voor de mummiekat neertelt. Het overzeese avontuur van Gries is echter van korte duur want al in 2006 koopt Te Water Mulder hem terug. Vanaf dat moment pronkt hij weer op zijn fluwelen kussen in de etalage van diens antiquariaat in Utrecht, met de woorden “Komt en huivert”… en een prijskaartje van 2.500 euro.

Het is hier dat historicus Tim Graas van de stichting Kerkelijk Kunstbezit hem een jaar later tijdens zijn lunchpauze opmerkt en de kat de bel aanbindt. Trouw, de Vpro en de PZC pikken het verhaal op en in Veere wordt snel geschakeld om de nodige fondsen bij elkaar te brengen. Als conservator van de gemeentelijke collectie is Peter Blom er immers van overtuigd dat de kat thuishoort in Veere.
Zo keert de Veerse kat na een halve eeuw met de nodige egards terug naar de plek waar hij vele eeuwen, verdoken voor vele blikken, heeft gelegen. Schoolkinderen uit Veere geven hem als gepast eerbetoon de naam Gries, Zeeuws voor grijs.

Wie was Gries?
Na een eeuwenlang verblijf in een muur van de Grote Kerk rest er van Gries nog slechts een skelet en gedroogde huid. De onderzijde van het lichaam is half vergaan. Sinds zijn terugkeer naar Veere in 2008 hebben deskundigen als Wim Phaff (voormalig directeur van het Zeeuws Biologisch Museum en preparateur van dieren), Mark Bosselaers (conservator Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg) en Joyce van Dijk (archeozoöloog van Archeoplan Eco) zich over de kat gebogen. Wat kunnen zij vandaag nog te weten komen over deze middeleeuwse mummiekat? In 2008 concludeert Bosselaers dat Gries een zwarte kat moet zijn geweest met witte pootjes. Gezien de brede kop kan het een kater zijn geweest, maar zeker is dit niet. Ook over de leeftijd valt iets te zeggen. Bij een jong dier bestaan de pijpbeenderen uit een schacht en twee groeischijven aan beide uiteinden. Zolang de groeischijven niet zijn vergroeid met de schacht kan lengtegroei plaatsvinden. Bij een kat die ongeveer een jaar oud is zijn alle pijpbeenderen volgroeid, zoals ook bij Gries het geval is. Gries heeft een volwassen gebit; alle melkkiezen zijn vervangen door permanente kiezen. We weten dus dat deze kat in ieder geval een jaar oud is geworden maar niet op welke leeftijd hij precies is gestorven.

De doodsoorzaak is niet bekend. Op het lichaam zijn geen sporen van geweldpleging te zien. Wellicht kan een röntgenfoto inzicht geven of de nek is gebroken, wat kan wijzen op wurging. Een andere mogelijkheid is Gries voor te leggen aan de Stichting Forensisch Dierenonderzoek die weliswaar actuele zaken van dierenmishandeling behandelt maar mogelijk over de juiste kennis beschikt om uitspraken te kunnen doen over de doodsoorzaak van Gries.
Wel kon worden vastgesteld dat de nageltjes van Gries nog steeds scherp zijn en intact. Het ziet er dus niet naar uit dat het dier in wanhoop aan de muren heeft gekrabd, wat zou kunnen wijzen in de richting van een ongeluk of een wel erg wrede, levende, inmetseling. Gries lijkt al dood te zijn geweest toen hij met zorg in de muur werd neergelegd met zijn staart omhoog en in een krul en de pootjes netjes langs elkaar.

Hoe oud is Gries?
Sinds Gries in 2008 op zijn fluwelen kussentje terug naar Veere kwam is de belangrijkste vraag steeds geweest: hoe oud is deze kat nu eigenlijk? Voor het dateren van oudheden zijn diverse technieken voorhanden, afhankelijk van het type voorwerp of materiaal. Wat Gries betreft is de meest aangewezen methodiek een datering aan de hand van koolstof (14C). Hiervoor werd in het lab van Archeoplan Eco met zorg een klein stukje huid verwijderd en opgestuurd naar het Centrum voor Isotopenonderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. Koolstof komt voor in de atmosfeer en wordt als koolstofdioxide (CO2) uit de lucht opgenomen door planten. De planten worden gegeten en op deze manier komt koolstof in de voedselketen terecht. Dit betreft vooral het veel voorkomende koolstof-12-atoom. Er is echter nog een ander koolstofatoom dat ook door organismen wordt opgenomen, namelijk koolstof-14. De koolstof-14-atomen ontstaan uit stikstofatomen die door kosmische straling veranderen. Een op de biljoen koolstofatomen is zo’n koolstof-14-atoom. In tegenstelling tot het koolstof-12-atoom is het koolstof-14-atoom instabiel. Dit betekent dat na verloop van tijd het koolstof-14-atoom uit elkaar valt en weer terug verandert in een stikstofatoom en wat radioactieve straling. Met andere woorden, het koolstof-14-atoom verdwijnt.

Zodra een organisme sterft, stopt de opname van koolstof en verdwijnt het instabiele koolstof-14 langzaam maar zeker. Er is berekend dat van elke grote hoeveelheid koolstof-14-atomen na 5.736 jaar nog maar de helft over is. En na nog eens 5.736 jaar weer nog maar de helft. Omdat bekend is dat een op de biljoen koolstofatomen een koolstof-14-atoom is, is het mogelijk om te berekenen hoeveel koolstof-14-atomen in een bepaald organisme moeten zitten. Door te meten hoeveel atomen daadwerkelijk in het organisme aanwezig zijn, is uit te rekenen hoe lang geleden het organisme is doodgegaan. Of, anders uitgelegd, een graanplant neemt koolstof-14 op uit de lucht en wordt opgegeten door een muis. De muis wordt opgegeten door Gries. Dan gaat Gries dood en wordt ingemetseld in de Grote Kerk van Veere. Vanaf dat moment neemt de hoeveelheid koolstof-14 alleen nog maar af. Door het gehalte aan koolstof-14 in de gedroogde huid van Gries te meten is berekend hoe lang geleden Gries is doodgegaan. De hoeveelheid koolstof-14 in de atmosfeer is in de loop van de geschiedenis echter niet altijd constant geweest. Door allerlei natuurlijke oorzaken zoals zonneactiviteit, vulkaanuitbarstingen en veranderingen in het aardmagnetische veld waren er schommelingen in de hoeveelheid koolstof-14. Hierdoor moet een meting worden geijkt aan een ijkgrafiek (zie de figuur). In de ijkgrafiek worden de koolstof-14-jaren (de meting) vertaald naar kalenderjaren.

De waarde die bij Gries is gemeten, is 406 met een meetfout van 21 (koolstofjaren). Deze waarde raakt de ijkgrafiek op twee punten, namelijk tussen 1601 en 1615 en tussen 1439 en 1498. Dit betekent dat Gries uit een van deze twee perioden dateert. Er is echter meer in de grafiek af te lezen, namelijk dat er een kans is van 6,6 procent dat Gries dateert van tussen 1601 en 1615, maar de kans dat hij dateert van tussen 1439 en 1498 is veel groter, namelijk 88,8 procent. Niet alleen staat nu dus onomstotelijk vast dat Gries niet pas in de jaren vijftig van de vorige eeuw is doodgegaan, maar is het duidelijk dat de Veerse kat ten minste vierhonderd jaar geleden maar hoogstwaarschijnlijk zelfs circa 550 jaar geleden is gestorven. Precies in de periode van de bouw van de Grote Kerk.

Een vijftiende-eeuws bouwoffer?
Hoe kwam Gries dan eind vijftiende eeuw in een muur van de Grote Kerk terecht? Een eerste verklaring is natuurlijk: stom toeval. Een onfortuinlijke zwerfkat die wellicht door een val vast kwam te zitten tijdens de bouwwerken en op een natuurlijke wijze mummificeerde. In droge ruimtes blijkt dat mummificeren een vrij snel proces. Met enige regelmaat worden er in kruipruimtes, op zolders of in hooischuren uitgedroogde kadavers van katten teruggevonden. Als de Veerse kat dit lot te beurt is gevallen, moet hij op slag dood zijn geweest. Het onderzoek heeft immers aangetoond dat zijn nageltjes nog in perfecte staat zijn en geen sporen dragen van ijdele bevrijdingspogingen. Ook ontbreken de trauma’s die een dergelijke fatale val kunnen staven. Deze elementen en het feit dat de kat netjes, in een haast vredevolle houding lijkt neergelegd, maken een ongeluk niet aannemelijk. Van katten is bekend dat ze graag een rustig plekje opzoeken als ze hun einde voelen naderen, maar een drukke middeleeuwse bouwplaats lijkt daar niet meteen aan te voldoen.

Een andere mogelijkheid is dat de kat er met opzet is neergelegd, als zogenaamd bouwoffer. Bijgeloof is des mensen. Heksen, genezers en wijzen boden hun kennis en kunde tegen betaling aan bij de gemeenschap en genoten een groot respect en ontzag. Maar ze boezemden ook angst in. Hun spirituele macht kon immers ook ten kwade ingezet worden. Onverklaarbaar onheil werd vaak toegeschreven aan hogere machten en hun aardse vertegenwoordigers. Grip krijgen op dit bovennatuurlijke via eeuwenoude rituelen en praktijken was vroeger een wezenlijk onderdeel van het dagelijks bestaan. Zo was het van de veertiende tot ver in de negentiende eeuw gebruikelijk om specifieke ‘magische’ voorwerpen te verbergen in huizen of gebouwen om tegenspoed en ongeluk buiten de deur te houden. Een soort spiritueel anti-inbraakalarm avant la lettre, zoals de Britse onderzoeker Brian Hoggard het beeldend verwoordt. Hoggard is al tientallen jaren bezig met het fenomeen van magical house protection. Hij ziet steeds wederkerende patronen die wijdverspreid zijn over Europa, de Verenigde Staten, Zuid-Amerika en zelfs tot in Australië. Naast allerlei mystieke gravures, oude schoenen, heksenflessen en paardenschedels blijken ook de zogeheten dried cats, katten die door uitdroging op natuurlijke wijze zijn gemummificeerd, een populair afweermiddel tegen kwade geesten te zijn. Dat is niet zo verwonderlijk aangezien de kat des huizes in de fysieke wereld ook het ongedierte buiten de deur hield en als bovennatuurlijke waker dezelfde opdracht meekreeg in de spirituele wereld. Daarnaast werden ze, begiftigd met een zesde zintuig, ook gezien als ideale medestanders tegen hun soortgenoten die als duivelse gezellen van heksen rond de huizen waarden om het gezinsgeluk te verstoren.

Deze opzettelijk ingemetselde katten werden voorafgaand aan hun onfortuinlijke lot doorgaans al om het leven gebracht, wellicht door wurging. Zo raakte het lichaam niet al te zeer beschadigd. De katten werden meestal netjes neergelegd of vastgespijkerd in gekunstelde houdingen. Soms werden zelfs scènes gemaakt waarbij muizen of ratten als jachttrofeeën in de klauwen of bek van de kat werden gehangen. Als we kijken naar de plekken waar deze dried cats volgens de documentatie van Hoggard worden gevonden, blijkt dat voor het merendeel in woonhuizen en boerderijen te zijn. Ook herbergen komen vaak voor als plekken waar kwade geesten buiten de deur moesten gehouden worden. Opmerkelijk is het feit dat ook kerken, kapellen en abdijen niet ontsnapten aan deze heidense afweerrituelen. Blijkbaar werd de goddelijke bescherming alleen niet als afdoende beschouwd door de bouwers van weleer. Folklore en bijgeloof bleef, zeker in de late middeleeuwen, voor veel mensen een meer te bevatten concept dan de verheven kerkelijke wereld, waar missen in het Latijn werden voorgedragen en vaak onbegrijpelijke symboliek werd gebruikt. Het inmetselen van afwerende talismannen in kerkgebouwen lijkt dan ook niet zozeer een bewuste opdracht van de bouwheren maar eerder een initiatief van bezorgde ambachtslieden of voormannen, wellicht zelfs zonder medeweten van hun opdrachtgevers. Het is vermoedelijk ook in dit licht dat we de bijzetting van Gries de kat, zo’n 550 jaar geleden bij de bouw van de kerk, moeten zien. Een ritueel van lokale ambachtslieden die het behoud van hun werk wilden verzekeren met de middelen die hen van generatie op generatie waren aangereikt.

Hoe bijzonder is Gries?
In de Lage Landen worden met enige regelmaat vondsten van gemummificeerde katten gemeld. Doorgaans gaat het om relatief recente exemplaren die in kruipruimtes of zolders vast zijn komen te zitten en uitdroogden. Dat uitdrogingsproces kan zich, afhankelijk van de omstandigheden, al binnen een tiental jaren voltrekken. Van al deze meldingen zijn er in onze contreien slechts vijf bekend die mogelijk als bouwoffer te interpreteren zijn. Uit de collectie van het Zeeuws Genootschap is een kat bekend die in 1865 bij werkzaamheden in het nu verdwenen woonhuis De Grote Witte Hazewindhond aan de Segeersstraat in Middelburg is gevonden. Deze kat ligt nu in de Wonderkamers van het Zeeuws Museum als curiosum. Over de context en ouderdom is niets bekend. In een nis in een tussenmuur in het kasteel van Helmond werd bij restauratiewerken een kattenmummie gevonden, samen met een kerkuil en vier zakken haver. De haver bleek na onderzoek vierhonderd jaar oud te zijn. Ook in de muur van een traptoren van de Grote Kerk van Breda, in de Bezuidenhoutse kerk van Den Haag en de Sint-Maartenskerk in Wehl zijn bijzettingen van katten gevonden. Op basis van de context zouden het laat-middeleeuwse bijzettingen kunnen zijn. In het Vlaamse Mechelen doken bij werken in het zeventiende-eeuwse Predikherenklooster maar liefst elf exemplaren op, waaronder enkele kittens, ingemetseld in de muren en het dak. Ook hier is nauwelijks documentatie over beschikbaar.

Op de Britse eilanden geeft het onderzoek van Hoggard aan dat geen van de daar gevonden katten aan de hand van wetenschappelijk onderzoek gedateerd is. Over het merendeel is nauwelijks iets bekend en slechts 20 procent kon gedateerd worden aan de hand van de context waarin ze zijn gevonden. Globaal gezien lijkt het gros van de gevonden kattenmummies in de zeventiende en achttiende eeuw te plaatsen, met enkele uitschieters in de negentiende eeuw. Uit vroegere periodes kan er ternauwernood een tiental aangeduid worden als mogelijk vijftiende-eeuws of vroeger. Volgens Howard zou, op basis van de context, de oudst gerapporteerde kat uit het laatste kwart van de dertiende eeuw stammen. Wellicht zijn het er veel meer geweest maar is het merendeel van de oudere deposities in de loop der eeuwen teloorgegaan. Gries, met zijn datering tussen 1439 en 1498, lijkt dus een van de weinige katten te zijn wiens ouderdom met wetenschappelijke zekerheid bepaald is. Zo blijkt hij, in de traditie van bouwoffers, een van de best bewaarde en oudste kattenmummies te zijn in Europa. Veere is dus inderdaad een bijzonder monument rijker.

Bram Silkens, Joyce van Dijk


Drs. Bram Silkens is werkzaam bij de Walcherse Archeologische Dienst, drs. Joyce van Dijk bij Archeoplan Eco.

Met dank aan Margot Kuitems (CIO Groningen) voor haar heldere uitleg van de koolstofdatering en André Cardol (Archeoplan) voor zijn hulp bij het bemonsteren van Gries.

Bronnen
‒ Anoniem, ‘Restauratie van Veere’s Domkerk stopgezet’, in: Provinciale Zeeuwsche Courant, 21 december 1959 (Krantenbank Zeeland).
‒ Bijgeloof en superstities (https://sites.google.com/site/superstities/home).
‒ P. Blom, Documentatie Gemummificeerde kat, 2008. Zeeuws Archief.
‒ E. Calon, ‘Kat hoort hier thuis’, in: PZC, 2 februari 2008.
‒ B. Gruwier, ‘Artefact van de Maand: gemummificeerde katten’. Center for Artefact Research (CAR), Mechelen (www.artefactresearch.be).
‒ B. Hoggard, ‘Magical House Protection. The Archaeology of Counter-Witchcraft’, Oxford 2019.
‒ M.M. Howard, Journal Article 252. ‘Dried Cats’, in: MAN vol. 51, Wiley, Royal Anthropological Institute of Great Britain and Ireland, 1951.
‒ M.C. Manning, ‘Homemade magic: concealed deposits in architectural contexts in the eastern United States’. Thesis Department of Anthropology, Ball State University, Muncie Indiana 2012.
‒ J.H. Midavaine, ‘De kat ontmaskerd. Een duur betaalde mythe in Veere’, in: De Wete, jrg. 37, nr. 4, 2008.
‒ J.H. Midavaine, ‘Dat Scrickelyck Was Om Aen Te Sien. Het afbranden van drie kerken op 25 mei 1686’, in: Stadsheraut, jrg. 2017, nr. 3.
‒ Museum Helmond, objectnr. 82-350a (www.museumhelmond.nl).
‒ S.W.L. Palstra, ‘Rapportage meetresultaten 14C huidmateriaal Sample 2019-27 Kat van Veere’, Rijksuniversiteit Groningen, faculteit bètawetenschappen en technologie, centrum voor isotopenonderzoek, 2020.
‒ M. Slingerland, ‘Kat zat ritueel ingemetseld in Veerse Kerk’, in: Trouw, 1 februari 2008.
‒ Zeeuws Museum, objectnr. ZNG001 (www.zeeuwsmuseum.nl).

Afbeeldingen
Analyse Kat van Veere. (Centrum voor isotopenonderzoek, Rijksuniversiteit Groningen)

Gries in antiekhandel Abbey Green Antiques, Utrecht. (foto Jörgen Caris, Trouw)

Gave klauwen. (www.archeoplaneco.nl)

Interieur van de Grote Kerk in Veere, de houten steiger in de zijbeuk oostzijde, 1980. Deze steiger stond er ook al in 1959. (wikimedia)

Bron: medieval-cats.

Monstername huidsample. (www.archeoplaneco.nl)







Terug