Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Om door een ringetje te halen

Plant een boom op Walcheren. Of een struik.



Enige tijd geleden kreeg ik via Landschapsbeheer Zeeland een schenkingsbewijsje in handen waaruit bleek dat Jan Lodder uit Ridderkerk een struik had geschonken aan Walcheren. Zijn dochter had het kaartje gevonden en vond het te bijzonder om het zomaar weg te gooien. Ook was ze wel benieuwd naar de achtergrond van het ongedateerde documentje. Op zoek dus en heel moeilijk bleek het niet te zijn: het kaartje heeft alles te maken met de inundatie van Walcheren en de herinrichting ervan na 1945.

Walcheren was zwaar beschadigd uit de oorlog gekomen en het zag er niet direct naar uit dat het eiland na de drooglegging zou kunnen rekenen op veel hulp uit Den Haag. Ook de rest van Nederland en onze buurlanden zaten economisch aan de grond. Het Marshallplan moest nog worden bedacht en zou pas medio 1948 tot uitvoering komen. Het was de Middelburgse ondernemer Vroom die het initiatief nam om een economisch herstelprogramma op poten te zetten. Op 19 november 1945 had hij genoeg notabelen bij elkaar om de Stichting Nieuw Walcheren op te richten met als ondertitel: Ter bevordering van Walcherens Welvaart. Naast economische doelstellingen waren de aanleg van recreatiegebieden, de herbeplanting en het maken van een maquette van Walcheren (Miniatuur Walcheren!) in de plannen meegenomen. En zo kwam er een vrij omvangrijke organisatie tot stand. Frans van den Driest schreef er eerder in De Wete over. Binnen het bestuur kwam de Middelburger R. de Muynck op het glorieuze idee om iedereen, waar dan ook ter wereld, uit te nodigen om aan de herbeplanting deel te nemen. “For a liberated Europe a drowned Walcheren, ‘New Walcheren’ asks your help!” Als lid van de herbeplantingscommissie zou De Muynck als voorzitter leiding geven aan de Sectie Bomenactie met de leus “Plant een boom op Walcheren”. Dat kon door voor f 2,50 een certificaat te kopen, waarvoor één boom zou worden geplant. De naam van de gever zou in een album voor het nageslacht worden opgetekend. Dit ‘Gulden Boek’ zou uiteindelijk meer dan zevenentachtigduizend namen bevatten. Op 17 augustus 1946 meldde de PZC al dat de actie een groot succes was. Het geld voor de eerste twintigduizend bomen was binnen. Burgers uit België, Engeland, Canada en de VS hielpen mee. Bovendien meldde de krant dat binnenkort voor de Nederlandse schooljeugd de actie ‘Wij planten een struik op Walcheren’ van start zou gaan. Het ging daarbij om een bijdrage van een kwartje per struik. De actie bleef natuurlijk niet beperkt tot individuele burgers. Tal van inzamelingsacties werden opgezet. De Rotterdamse scholen waren goed voor 2851 bomen en 4660 struiken, de busreisjes van het Rotterdams Nieuwsblad naar Walcheren leverden 150 bomen en 500 struiken op. De gemeente Soest adopteerde de gemeente Oostkapelle voor 800 bomen. Ook de Royal Air Force deed iets terug voor de verwoestingen van oktober 1944 en de Britse Marine doneerde voor bijna 4000 bomen. Het Koninklijk huis bleef niet achter, getuige een aan Koningin Wilhelmina gerichte concept-brief van de Stichting Nieuw Walcheren, die in de Zeeuwse Bibliotheek wordt bewaard. We lezen hierin dat de stichting met grote dankbaarheid kennis heeft genomen van de mededeling dat “het Uwe Majesteit heeft mogen behagen een aanzienlijke oppervlakte plantsoen van het Koninklijk Paleis en Domein Het Loo ter beschikking te stellen”. De brief, die de dankbaarheid tot uitdrukking brengt van het bestuur en de “zwaar geteisterde” Walcherse bevolking, geeft ook inzicht in de bestemming van het plantsoen, namelijk de aanplanting van een bos nabij Westkapelle. Verder wilde men het plantmateriaal gebruiken voor de verschillende herdenkingsplechtigheden op Boomplantdag, 4 november 1947, die de herbeplanting van Walcheren zou inluiden. Het gaat dan om het achtereenvolgens planten van de eerste boom in het Bellamypark in Vlissingen, vervolgens in de Zuidstraat van Westkapelle en op het Seisbolwerk van Middelburg. Uiteraard werd de koningin uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn: “Uwe Majesteit moge ons tenslotte veroorloven eerbiedig als ons gevoelen uit te spreken, dat de vierde november voor de bevolking van Walcheren tot een wel onvergetelijk moment zoude uitgroeien, indien op deze dag door Uwer Majesteits hand en die harer Koninklijke kinderen en kleinkinderen met materiaal uit de plantsoenen van het Koninklijk Paleis en Domein Het Loo, de herbeplanting van het nu boom- en struikloze eiland zou mogen worden ingeleid”. Het was eigenlijk wel een verzoek tegen beter weten in, omdat al enige dagen bekend was dat de Koningin haar taken tijdelijk zou neerleggen.

Koningin Wilhelmina was dus niet aanwezig, maar dat werd die dag ruimschoots goedgemaakt door de komst van Prinses-Regentes Juliana die het boomplanten zelf ter hand nam, haar gemaal, vele kabinetsleden waaronder minister-president Beel en de komst van de Britse eerste minister Clement Attlee. Getuige de PZC was het een onvergetelijke dag, met prachtig weer, hoewel: “op het zelfde ogenblik dat de speciale regeringstrein het station van Middelburg uitreed, vielen de eerste druppels. De regen kwam, de regen waar Zeeland al zo lang op wachtte en die ook de aarde om de jonge aanplant zal drenken. En de bomen zullen groeien…”

Walcheren, de Tuin van Zeeland?

Wie de catalogus van de Zeeuwse Bibliotheek er op naslaat, komt een eindeloze reeks publicaties tegen over de ‘Tuin van Zeeland’, de inundatie, de gevolgen ervan en de wederopbouw na de oorlog. Schrijvers hebben zich uitgeput om woorden te vinden die de schoonheid van het Walcheren van voor de oorlog adequaat beschrijven, soms ‘over de top’ en met recht sentimentele aardrijkskunde genoemd. De Walcherse Arcadia is er een al wat ouder voorbeeld van. Als een buitenheems gezelschap een tochtje over Walcheren maakt, zijn ze onder de indruk van hun omgeving: “de boomen die hier langs de weg, en zo groen staan, heeft iedere geërfde geplant, en waar die in gebreke blijft, staat het de Ambachts Heer vrij die te zetten”. De oorsprong van al die schoonheid wordt gelegd bij keizer Karel V, die als pleister op de wonde van het verbod op het derrink steken (moernering) in 1527 verordonneerde “dat sy en een ieglijk van hen sal mogen planten op de Heerenwegen tegenover synen grond al sulke hout en so veele als het hem goeddenke sal.” Aad de Klerk heeft een paar jaar geleden alle loftuitingen eens op een rijtje gezet en hij laat daarmee zien dat beeldvorming lang kan blijven hangen. Hij ontkwam er niet aan om ook de ontluistering van het oude landschap, het einde van de Tuin, aan te stippen.

Wie terug wil naar de tijden van voor de oorlog moet bedenken dat ook toen Walcheren niet meer het eiland was uit de Walchersche Arcadia, aldus Aad de Klerk, het bezat nog maar een schim van de vroegere glorie. In het midden van de achttiende eeuw werd vijfentwintighonderd hectare door tuinen en parken in beslag genomen; er was sprake van een lustlandschap. Dat betekende een gedurige afwisseling “van koorn-akkers, zaylanden, heerlijkheden, hoven, boomgaarden en lusthuizen”. Na en in de Franse tijd liep het aantal buitenplaatsen al snel terug van meer dan tweehonderdvijftig tot circa vijfenveertig in 1824, maar het kleinschalige heggenlandschap bleef nog lang gespaard. Dat neemt niet weg dat sinds het begin van de twintigste eeuw hier en daar meidoornhagen werden opgeofferd aan de vooruitgang. Maar in oktober 1944 viel de definitieve genadeklap, de band met het vroegere landschap werd abrupt en rigoureus doorgesneden. Daarmee zijn de kenmerken in het landschap die ons herinneren aan onze geschiedenis schaars geworden. De mythe van de paradijselijke ‘Tuin van Zeeland’ was evenwel nog niet uit het collectieve geheugen verdwenen en met de nieuwe wegbeplanting was dat beeld nog min of meer richtinggevend. Maar daarbij zou het wel blijven. Broerse, bij uitstek dé deskundige van de herbeplantingscommissie van de Stichting Nieuw Walcheren: “Het was voor mij en voor de leden van de Stichting Nieuw Walcheren een eigenaardige gewaarwording in die tijd van herstel, dus 45/55, te moeten constateren, dat die groep van de bevolking waarvan we verwachtten dat deze veel voor herbeplanting zou voelen, daarvan voor een groot deel afkerig bleek. Men had in veel gevallen zelfs voor een beplanting van de openliggende boerderijen tot windbescherming daarvan, geen grond over”. In dit open en onbeschermde landschap voelden kunstenaars zoals Nescio, Charley Toorop, en Frits Lensvelt zich dan ook niet langer thuis. Ida Gerhardt dichtte “Bij iedere schending van uw grond sluipt als een gif de wanhoop in mij rond”. In het ‘Nieuwe Walcheren’ was schaalvergroting leidend, door ruilverkaveling werd het aantal percelen tot één derde teruggebracht, de perceelranden met meidoorn, braam en hondsroos kwamen slechts in beperkte mate terug, wegen werden verbreed en de oude padjes verdwenen. Maar toekomstbestendig bleek het nog niet te zijn. Een tweede ruilverkaveling in de jaren tachtig was noodzakelijk. En het hielp ook niet dat in de jaren zeventig de iepenziekte toesloeg en daarna het perenvuur waardoor opnieuw meidoornhagen moesten worden verwijderd.

Walcheren na 1945, de teloorgang van een landschap

Wie op een mooie zonnige zomerdag van Oostkapelle naar Vrouwenpolder fietst, kan kiezen uit verschillende routes. Wie kiest voor de route via de Munnikweg kan vooral aan de linkerkant nog iets ervaren van dat oude Walcheren: de korenvelden met op de achtergrond de buitenplaats Overduin. Op de Koningin Emmaweg aangekomen volgt het Oranjebos, het oude waterwingebied, een stukje van het vroon en de uitspanning Oranjezon. Verderop langs de Noorddijk zien we tussen de campings Oranjezon en De Zandput het oude duingebied, verscholen achter een nieuw natuurgebied. Met wat geluk zien we er de koeien van Ter Linde grazen of de (te talrijke) damherten rondscharrelen. Het is geen samenhangend geheel meer, maar wat mij betreft een lust voor het oog. Mijn eerste kennismaking met het vóóroorlogse landschap van Walcheren was in dat verband dan ook enigszins ontnuchterend. Die begon met het verhaal ‘Eiland’ van Gerard Rothuizen. Het was 1973 en Walcheren was net mijn nieuwe thuis geworden. In dat verhaal, slechts enkele jaren eerder geschreven, kijkt Rothuizen niet zonder weemoed terug op Walcheren en de Walchenaren van zijn jeugd. Niet toevallig citeert hij van Jan Campert uit de Sonnetten voor Cynara (1942) een sonnet waarvan het laatste couplet luidt:

“Hier in dit onvergankelijk land een wilde tuin,

waar duindoorn en de hoge vlieren wassen,

uitzicht op glooiend vroon en op ’t begroeide duin

en wat daar tiert aan landlijke gewassen,

en daarin ademend naast mij zo rank en bruin

de lieflijkste die sluimert in de grassen.”

Het ziet er naar uit dat Rothuizen indertijd de daad bij het woord heeft gevoegd: “1942, het allerlaatste jaar dat men als Middelburgs gymnasiast nog kon vrijen in de duinen van Vrouwenpolder droevig samen onder een jas in de regen of samen gestreeld door de zon”. En: “Het moet vroeger een mooi eiland geweest zijn, voordat een frituurvetrand, een stofhoop, een lawaaiwoede er de stilte en de transparantie onmogelijk maakten.” En wist u dat in Veere het lange tijd verboden was om patat uit te venten? Dat soort burgemeesters “zullen snel zijn uitgestorven of oververkaveld, als ze al niet door de middenstand zijn verscheurd”. Wat Rothuizen betreft ‘hoe minder zielen, hoe meer vreugd’. Alleen het waterwingebied biedt voor een paar kwartjes nog uitkomst. Rothuizen geeft een overzicht van de bloemen en planten die men er nog kon aantreffen. Maar: “Bij mooi weer moet men echter vluchten naar wat genoemd wordt de zak van Zuid-Beveland (…) Maar men moet snel zijn want reeds komen de Sloe-planners en de recreatie-ideologen opzetten en krijgt de vreemdelingenindustrie of die van Höchst, de camping of de fabriek het ook hier voor het zeggen en men weet niet welke vervuiling erger is.” De in 1988 overleden gereformeerde predikant en hoogleraar ethiek uit Kampen was een roepende in de woestijn. De eerste paal voor de kerncentrale zat al in de grond, maar wat duidelijk wordt, is dat voor Rothuizen Walcheren als de ‘Tuin van Zeeland’ had afgedaan. Tuin- en landschapsarchitect Broerse zal het wel met hem eens zijn geweest. Als vormgever van het ‘Nieuwe Walcheren’ noemde hij in 1973 de vijf grote gevaren die het landschap van Walcheren bedreigen: de industrie, de stads- en dorpsuitbreidingen, het toerisme, eventuele nieuwe wegen en de rationalisatie van de landbouw. En en passant laat hij blijken weinig vertrouwen te hebben in de landschapsdeskundigheid en de samenwerkingsbereidheid van de bij de verschillende projecten betrokken ambtenaren. Natuurlijk, tijden veranderen, maar het is altijd goed om “als men met de voortsnellende tijd meeholt, af en toe eens om te kijken of men niet iets waardevols vergeet mee te nemen”. Het streekeigene dreigt platgewalst te worden tot een zo groot mogelijke uniformiteit en daarmee te verdwijnen. Rond Middelburg en Vlissingen heeft intussen grootschalige industrialisatie plaatsgevonden en een groot deel van de binnenrand van het eiland is bebouwd geraakt met vakantieparken, campings en tweede woningen. Broerse is gebleken geen pessimist te zijn, maar een goede voorspeller.

En verder?

Als de historisch-geograaf Aad de Klerk in 2008 een van zijn favoriete fietstochtjes beschrijft, geeft hij het de wat verontrustende titel mee “Hou ik nog van mijn Zeeuwse landschap?”. Wat is er aan de hand? Eerder gaf hij in De Wete aan dat het Walcherse landschap boven alles een cultuurlandschap is en dat verandering van het landschap daaraan inherent is. Maar er zijn grenzen: “We moeten de geschiedenis uit ons landschap kunnen blijven aflezen, zoals we dat ook kunnen uit onze gebouwen, onze schilderijen, onze archiefstukken”. En dan blijkt zo’n fietstocht gemengde gevoelens op te roepen: een verdwenen pad, aangetaste kreekoevers, een gesloopte historische boerderij en het besef dat Middelburg van plan is de Cleene Hooge vol te bouwen. Dat laatste is er (nog) niet van gekomen, maar dat voornemen benadrukt wel de noodzaak om geplande veranderingen in het landschap kritisch te beoordelen. En daarbij kan, misschien wel moet, de Heemkundige Kring Walcheren (HKW) een rol spelen. Onlangs is dat met succes gebeurd, er komen geen windmolens op boerenerven. Minder succes had het HKW in 2015 met een zienswijze op het bestemmingsplan Kampeerterreinen van de gemeente Veere, een kwestie die in 2023 weer opspeelde toen een ondernemer legaal vijftien tiny houses op zijn minicamping De Ark bij Westkapelle neerzette. De huisjes zijn verplaatsbaar en dat was het geitenpaadje waar de HKW al bang voor was. De landschapsarchitect Jan Willem Bosch die de ondernemer hielp bij de ‘landschappelijke inpassing’ vindt die seizoensgebonden verplaatsingen trouwens maar onzin en ecologisch niet verantwoord. Bovendien lijkt kamperen in de winter een blijvertje. De 23 campings en de talloze (circa 160) minicampings in de gemeente Veere zullen deze zaak met belangstelling hebben gevolgd. Zijn er nog grenzen aan de groei? Veel Walchenaren vinden van wel. Het geitenpaadje is voorlopig geblokkeerd, maar het lijkt erop dat bestuurders, zoekend naar het juiste evenwicht, moeite hebben met het antwoord. Groei blijft nodig vinden zij en ook moet voorkomen worden “dat de creativiteit van ondernemers te veel wordt ingeperkt”. De vraag die we in 2015 stelden aan het gemeentebestuur is dus actueler dan ooit: hoe kan het cultuurlandschap worden beschermd tegen de groei en het toenemend ruimtebeslag van de recreatiesector? Maar daar blijft het niet bij. Ruimtebeslag van campings is niet het enige, wellicht zelfs niet het grootste probleem. Er moeten huizen worden gebouwd en wat te denken van de kerncentrales aan de rand van Walcheren, de ontwikkelingen in het Westerscheldegebied. Omroep Zeeland maakte er mooie rapportages over, waaruit overigens blijkt dat wetenschappelijke inzichten categorisch worden genegeerd: de gebrekkige uitvoering van de kustvisie met zijn vele zogenoemde pijplijnprojecten, de zoektocht van defensie naar kazerneterreinen en oefengebieden. Zal het cultuurlandschap dat overleven? En dan zijn daar nog de ideeën van de nieuwe Commissaris van de Koning en zijn aanval op de “spiraal van verschraling”. Ook bij hem staat het heem, “onze mooie provincie”, hoog in het vaandel. Maar voor behoud van het cultuurlandschap geldt veelal dat tussen droom en daad toch vaak ‘praktische bezwaren’ en ‘pragmatische oplossingen’ staan.

Terug naar ‘Plant een boom op Walcheren’

Ons consumptiegedrag heeft nogal eens negatieve effecten op het milieu. Soms worden die door bedrijven (virtueel) gecompenseerd. Onze vliegschaamte bijvoorbeeld wordt toegedekt met beloften van nieuwe bosrijke gebieden die, waar dan ook op aarde, de door ons veroorzaakte CO2-uitstoot teniet zouden doen. Greenwashing heet dat. Echt helpen doet het niet. In 2024 was wereldwijd sprake van een recordtoename van CO2 in de atmosfeer. Maar in december van dat jaar hebben we weer zes struikjes van de ‘Gratis Boompjes Uitdeelactie’ opgehaald bij Ter Linde. Ook hier werd met ruim 37.000 uitgedeelde boompjes een record gevestigd. We hebben onze boompjes geplant. Voor een groene toekomst van Walcheren.

Leo Faase


Plant een boom






Terug