Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Om door een ringetje te halen
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten

Was Middelburg ooit een stad aan een rivier?



Ten zuidoosten van Middelburg, van de stad afgesloten door een bedrijventerrein en een chemische fabriek, ligt een aftakking van het Kanaal door Walcheren die het Arnekanaal wordt genoemd. Voorbij de brug in de spoorlijn tussen Middelburg en Goes maakt het smalle kanaal een bocht, die verraadt dat dit niet een door ingenieurs ontworpen kanaal is, maar het restant van een oude waterloop. Even verderop ligt een curieus driehoekig eilandje, net groot genoeg voor een boom en een paar meidoornstruiken. (afb. 1) Daar splitst het kanaal zich in tweeën: een deel buigt af naar het zuidwesten en eindigt na een kilometer of twee in het haventje van Nieuw- en Sint Joosland. De andere kant op ligt Arnemuiden, vissersplaats zonder zicht op zee, waar het kanaal roemloos is afgedamd. Langs de A58 ligt nog een laatste restant, dat in de volksmond nogal hardvochtig ’t Ouwe Gat heet. Het loopt dood tegen het talud van de Sloedam. Weinig in deze omgeving herinnert eraan dat dit water tot in de zestiende eeuw de toegang was tot de Middelburgse haven. Officieel heet het kanaal ‘Kanaal door de Oude Arne’ en dat zegt genoeg: het is wat rest van de Arne, de eerste bron van welvaart die Middelburg een eeuw later deed uitgroeien tot de belangrijkste havenstad van de Republiek na Amsterdam. Op de kaart van Jacob van Deventer (1545) is de Arne duidelijk ingetekend.

Ringwalburg

De geschiedenis van Middelburg is dus nauw met de Arne verweven. Maar de meningen verschillen over wat de Arne nu eigenlijk is, of is geweest. De stad Middelburg komt voort uit een ringwalburg, die omstreeks 890 n.Chr. werd opgeworpen als verdediging tegen invallen door de Vikingen. Deze ringwalburg ontstond op het punt waar drie kreekruggen samenkwamen en een natuurlijke verhoging vormden in het terrein. Ook nu nog zijn sporen van die vroegste geschiedenis duidelijk zichtbaar in de plattegrond van de stad. De voormalige ringwalburg is herkenbaar in de bijna perfecte cirkel van straten in de binnenstad. Op de kreekruggen ontstonden de uitvalswegen naar het noorden, westen en zuiden: de huidige Noordweg, Seisweg en Segeersweg. Vooral de Noordweg en de Seisweg (en in het verlengde daarvan de tegenwoordige Walcherseweg) liggen ook nu nog zichtbaar hoger in het landschap. Dat geldt eveneens voor het gebied binnen de vroegere burg, dat een stuk hoger ligt dan de omgeving. De tegenwoordige Groenmarkt en Bachtensteene vormen het hoogste punt van de binnenstad. Anders dan de meeste eilanden in de Zeeuwse delta is Walcheren niet successievelijk ingepolderd, met uitzondering van een klein gebied in het noordoosten. Rond het jaar 800 bestond het ‘oudland’ van Walcheren al in de vorm van kleiplaten en veengebieden, omgeven door wadden en duinen. Niettemin kon tot in de vroege middeleeuwen de natuur nog zijn gang gaan en had de Noordzee vrij spel. Regelmatig brak de zee in en schuurde diepe kreken uit tot ver in het kleigebied. Daardoor kent het Walcherse landschap een onderliggend patroon van zandruggen, die de restanten vormen van deze kreken. Door omkering van het reliëf – de veengrond klonk in, de zandbedding van de kreek niet – zijn deze als een lichte verhoging in het landschap bewaard gebleven. Op de bodemkaart van Walcheren is dit patroon prachtig zichtbaar.

Oude kreekbeddingen

Zeker is dat de ringwalburg was omgeven door een gracht. Niet alleen was dit een gebruikelijk onderdeel van een dergelijk verdedigingswerk, het bestaan ervan leeft voort in de straatnamen Lange en Korte Delft. Deze wijzen immers naar een gegraven (delft = gedolven) waterloop. De intrigerende vraag luidt dan: met welk water werd die gracht gevoed?

Die vraag is vanuit de beschikbare historische bronnen niet te beantwoorden. Waarschijnlijk is het noordoostelijke deel ervan (de tegenwoordige Sint Pieterstraat, Wagenaarstraat en misschien de Lange Noordstraat) uitgegraven in de bedding van een getijdekreek. Of, boeiender, het was oorspronkelijk een riviertje dat vanuit Walcheren zijn weg zocht naar zee. Ondenkbaar is dat niet. Dergelijke stroompjes ontwaterden de veengebieden in Holland, denk aan de Amstel en de Rotte. Omdat het buitenwater meestal hoger stond, werden deze riviertjes al snel afgedamd (denk aan Amsterdam en Rotterdam) vanwege de voortdurende wateroverlast. Ook in Middelburg kan dit zo zijn gegaan, de huidige straatnaam Dam herinnert er nog aan. En de Dam ligt op het punt waar de Korte Delft en de Sint Pieterstraat nu samenkomen. Polderdijk beschrijft in 1933 gedetailleerd de loop van de Arne vanuit Middelburg naar het toenmalige zeegat de Lemmer. In zijn inleiding haalt hij hiervoor eerdere bronnen aan, die voeding geven aan de suggestie dat de Arne, kreek ofwel rivier, noordelijk van Middelburg zou hebben doorgelopen. Vanuit Oostkapelle volgen de huidige Noordweg en de Walcherseweg naar Middelburg al eeuwenlang de loop van hogere kreekruggen. Op de bodemkaart zijn zij opvallend aanwezig, afgetekend tegen het bruin van de oude veenplaten. Het probleem is echter dat dit zeer oude kreekbeddingen zijn, die al omstreeks het jaar 1000 niet meer actief waren. Het is meer aannemelijk dat een riviertje dat van noord naar zuid stroomde en uiteindelijk de gracht voedde die om de ringwalburg lag, zijn loop had in de lagere komgronden tussen deze ruggen. Helemaal onaannemelijk is het niet. Tussen de duinen bij Domburg en de stad Middelburg vertoont het landschap een zeker natuurlijk verval. Duizend jaar geleden kan dat sterker zijn geweest dan nu, door het latere inklinken van de bodem. Een hydroloog bij het Waterschap Scheldestromen geeft op moderne kaarten de precieze stroomrichting van het water in de sloten in dit gebied aan, dat zich tenslotte inderdaad allemaal verzamelt in de Sint-Laurense watergang. In 1848 verscheen een boekje van J. Ehrlichxi. Deze richt zich vooral op een reconstructie van de Arne tussen globaal de tegenwoordige Rotterdamse Kaai en het Molenwater. Met grote stelligheid schrijft hij op de eerste bladzijden van zijn werk: “Zij die menen dat de Arne omtrent 1100 zou gegraven zijn, dwalen naar mijne gedachten. Men kan (zich) Middelburg niet gevoeglijker voorstellen dan als een eilandje, in de Arne zelve gelegen, dat zich achter, of ten Westen van hetzelve, weder vereenigde en (…) ginds en herwaarts vloeide.” Problematisch is dat Walcheren vermoedelijk ook in de vroege middeleeuwen al merendeels onder het niveau van gemiddeld hoogwater lag. Dat pleit dus niet voor de hypothese van een riviertje dat in de zee uitstroomt, anders dan door het terugstromen van zeewater bij laagtij. Zo bezien zal de Arne op zijn hoogst een getijdenrivier zijn geweest. Maar dan nog is in de oudste geschiedenis van Middelburg de rol van de Arne niet te verwaarlozen.

Portelinge

De kaart van Van Deventer (afb. 2) is weliswaar zeer nauwkeurig als stadsplattegrond (de huidige plattegrond van de binnenstad van Middelburg kan er precies overheen worden gelegd), maar geeft geen enkele aanwijzing over waterlopen noordelijk van de stadsgrens. Voor het bestaan van een eerdere waterloop zijn wel historische aanwijzingen gevonden door Dommisse. In 1904 deed hij hiernaar nauwgezet onderzoek door onder meer middeleeuwse stadsrekeningen te bestuderen. Dommisse onderzocht mogelijke trajecten van verdwenen waterlopen door de binnenstad van Middelburg. Hij wijst hierbij de Sint Laurense Watergang aan als een mogelijk overblijfsel van de voormalige kreek en duidt deze aan met de naam ‘Portelinge’. Een water met deze naam komt ook voor op de gereconstrueerde kaart van Zeeland in het jaar 1300. Dommisse situeert op een eigen schets deze waterloop tussen de Noordweg en de ‘weg naar Poppenroede’ (nu de Seisweg) – ofwel in de lager gelegen kom tussen beide kreekruggen. Tevens stelt hij dat de ‘Portelinge’ ter hoogte van de Noordpoort de stad binnenkwam en globaal naar het zuidwesten verder liep. Frappant is daarbij het punt waarop Dommisse in zijn schets deze ‘Portelinge’ laat kruisen met de Seisvest, die voor 1595 nog niet bestond. (afb. 5) Dat punt is namelijk te situeren daar waar nu de Sint Laurense Watergang in de Seisvest uitmondt, bij de villa Waterwijk aan de Seissingel 12A. Een zuidwaarts stromend riviertje wordt zo dan toch voorstelbaar. Maar het is hypothetisch en problematisch: waar zou de bron zijn geweest? Polderdijk haalt Dommisse aan, die suggereert dat “zij zich dan in den lagen veenhoudenden bodem van Walcheren een als een kreek gevormd [kan] hebben en, steeds door uitschuring vergroot, zich als een riviertje een weg gebaand kan hebben naar een in het zuidoosten van het eiland gelegen, later als Lemmer bekenden, zeeboezem.” Hoe romantisch ook, vermoedelijk lag Walcheren ook toen al merendeels onder zeeniveau, in ieder geval onder het niveau van gemiddeld hoogwater. Dat maakt het onaannemelijk dat een riviertje in de zee uitstroomt, anders dan door het terugstromen van zeewater bij laagtij. Dat laatste lijkt meer aannemelijk, de Arne zal op zijn hoogst een getijdenrivier zijn geweest. Maar dan nog is in de oudste geschiedenis van Middelburg de rol van de Arne niet te verwaarlozen.

Getijdenkreek of rivier?

Wanneer we ons nu de Arne voorstellen als een getijdenkreek, zou bij vloed het water ver landinwaarts zijn gedrongen, tot voorbij de noordgrens van het toenmalige Middelburg, om bij afgaand tij door de oostelijke burggracht weer terug te stromen naar zee. De oostelijke burggracht moeten we dan zien als de halve cirkel vanaf de vroegere Noordmonster- of Sint-Pieterskerk, via Hofplein, Wagenaarstraat en Sint Pieterstraat tot aan de Dam. Dommisse vindt in secundaire bronnen plausibele indicaties voor een traject binnen de stad dat globaal liep tussen de tegenwoordige watertoren, via de latere binnengracht (die voor 1400 niet bestond) tot aan de Lambrechtstraat, van waaruit het water ter hoogte van de Blindenhoek in de oudste stadsgracht stroomde. Door verwijzing naar oude stadsarchieven en de beschrijving van middeleeuwse parochies van Middelburg, weet Domisse aan te tonen dat het water dat hij de Arne noemt, ter hoogte van de huidige Gistpoort nog een stukje richting het westen moet hebben gelopen. Daar ontmoette het de Korte Delft, die zoals we hebben gezien onderdeel was van de oudste gegraven stadsgracht. Ten oosten van het Sint-Barbaragasthuis, ofwel ongeveer in het tracé van de huidige Nieuwstraat, stroomde het water verder naar de rand van de stad. Waarschijnlijk is dit een bescheiden watergang geweest, niet veel meer dan een sloot, die gedeeltelijk overkluisd was en waar soms huizen overheen waren gebouwd. Hoe het water van hier verder liep, is een volgend raadsel. Het maakt daarbij uit welke voorstelling je je van de waterloop maakt en in welke richting je denkt: ‘stroomopwaarts’ als een getijdenkreek diep ingesneden in het land en gevuld met zeewater, of ‘stroomafwaarts’ als een kreek of rivier die water vanuit het eiland Walcheren afvoert naar zee. Ook al heeft Dommisse de loop van dit water binnen de oudste kern van Middelburg overtuigend kunnen reconstrueren, een antwoord op de vraag of het nu een getijdenkreek of een rivier betreft, kan op grond van historische bronnen niet worden gegeven. Het meest aannemelijk blijft de eerste optie, een getijdenkreek vanuit het zeegat de Lemmer westwaarts richting Middelburg. Dit verklaart de afdamming ter hoogte van het huidige Damplein, zoals we zagen een in de middeleeuwen gebruikelijke techniek om binnenwater van buitenwater gescheiden te houden.

Duivelstoren

Nog steeds op basis van het onderzoek van Dommisse komt wel een andere mogelijkheid in beeld. Daarbij is het vertrekpunt de zogenaamde ‘Duivelstoren’, (afb. 6) een verdedigingswerk in de zuidelijke omwalling van de stad. Deze stadswallen werden in het begin van de veertiende eeuw opgericht (vanaf 1313), maar honderdvijftig jaar later grotendeels alweer afgebroken. Dommisse toont aan dat ter hoogte van deze Duivelstoren een spuisluis heeft bestaan. Deze spuisluis wordt genoemd in de stadsrekeningen van 1396/1397. De spuisluis zal overtollig water uit de binnenstad hebben geloosd, Dommisse stelt dat dit water werd aangevoerd door het grachtje gelegen tussen Nieuwstraat en Bellinkstraat. Hij betitelt deze waterloop, zoals we hiervoor al zagen, als (een restant van) de Arne binnen de oudste omwalling van de stad. Dommisse stelt vervolgens dat het water vanaf de genoemde spuisluis verder in westelijke richting naar de zee stroomde. Dit was de situatie voordat in de zestiende eeuw de nieuwe binnenhaven werd aangelegd. Dit water zou volgens Dommisse dan ook niets anders zijn dan ‘de genormaliseerde Arne’. Ook stelt de schrijver dat de Kinderdijk in feite hiervan de zuidelijke waterkering kan zijn geweest. Dat laatste is aannemelijk: immers op dit punt zou de getijdenbeweging duidelijk merkbaar zijn, wat een dijk noodzakelijk maakte. Op de kaart van Van Deventer is dit alles vrij nauwkeurig aangegeven. Ten slotte geeft Dommisse een verklaring voor de herkomst van het water dat als het tegenwoordige Prins Hendrikdok doorloopt tot aan het Damplein: dit moet de oudste haven van Middelburg zijn geweest. Met verwijzing naar het ‘Kronijk Register’ van Israël Abrahamsen dateert hij het graven hiervan omstreeks het jaar 1100. Dommisse veronderstelt dat “de kromme loop van de Arne voorbij de Duivelstoren tot bij de punt, (…) wel de oorzaak geweest (zal) zijn dat men bij of na het graven van de Lange Delft (…) bedacht geweest is eene verkorting te maken en eene haven vanaf de Kloosterpoort [nu de Gistpoort geheten - hl) tot aan de Punt te graven.”

Vanaf de vroegste tijd tot het begin van de zestiende eeuw was de Arne dus de toegang tot de Middelburgse haven. Over de loop van dit deel van de kreek of rivier laat de kaart van Van Deventer niets aan duidelijkheid te wensen over en in diverse bronnen is dit deel van de loop goed gedocumenteerd. Ook op de bodemkaart van Walcheren is een deel van de Arne in het landschap nog herkenbaar door de afwijkende bodemsoort, op de detail-uitsnede (afb. 5) aangegeven met een grijsblauwe kleur.

Polderdijk schrijft vooral over de loop van de Arne zuidelijk van Middelburg en uit daarbij wel zijn twijfel over de bevindingen van Dommisse wat betreft de plaats waar precies de kreek (de Arne) de stad moet hebben verlaten. Kaarten en afbeeldingen wijzen op een doorgang tussen de Zuid- en Noorddampoort. De Zuiddampoort is echter verdwenen en door de volstrekte verandering van de situatie bij de tegenwoordige Punt (het graven van het nieuwe havenkanaal in 1532 en in 1815-1817 het kanaal naar het Veerse Gat, de aanleg van de spoorlijn en van de industrieterreinen in de negentiende en twintigste eeuw) zijn in deze omgeving geen harde aanwijzingen over de loop van de Arne meer te vinden.

 

Vingerling

Het bochtige parcours van de Arne tot aan de monding in de Lemmer was al in de middeleeuwen bedijkt. Diverse stormvloeden veroorzaakten dijkdoorbraken, zoals de Sint-Elisabethsvloed in 1404, en voorts onder meer in 1446 en 1516. Die doorbraken werden niet gedicht, maar hersteld door het aanleggen van een nieuw dijkje buiten het ontstane gat, dat men een ‘vingerling’ noemde. Een van de grootste is op de kaart van Van Deventer goed te onderscheiden en tot halverwege de vorige eeuw was hiervan een overblijfsel zichtbaar in de vorm van een grote waterplas vlak ten noorden van de spoorlijn. Deze plas is ook op de bodemkaart van Bennema (afb. 3) nog aangegeven. Het kronkelende, smalle vaarwater verzandde in hoog tempo en Middelburg zag zich gedwongen te investeren in een nieuw havenkanaal, dat tenslotte in 1535 werd geopend. De monding van de oude Arne werd in datzelfde jaar met een dijk afgesloten. Aan het eind van de achttiende eeuw werd deze dijk ten behoeve van de zoutwinning bij Arnemuiden weer weggegraven, wat prompt tot een nieuwe overstroming leidde in 1808. Het stadsbestuur van Middelburg besloot toen om de monding opnieuw af te sluiten en ditmaal definitief. De geul en de dijken veranderden geleidelijk in bouwland. De kaart van Bennema maakt duidelijk dat in de jaren zestig van de vorige eeuw de perceelgrenzen nog maar globaal de vroegere loop van de Arne volgden. Alleen bij de boerderij Arnestein – het overblijfsel van een zeventiende-eeuwse buitenplaats – waren restanten van de Arne nog wel in het terrein zichtbaar. De grootschalige aanleg van het industrieterrein heeft ook deze sporen uitgewist. De Arne ten zuiden van Middelburg is zodoende vrijwel volledig van de kaart verdwenen. Wat uiteindelijk nog resteert, is het kanaal dat omstreeks 1870 werd gegraven in het zuidelijke deel van de oude Arne om het te laten aansluiten op het Kanaal door Walcheren. Vermeldenswaardig is dat de boerderij De Kleine Doel, oostelijk van de tegenwoordige verkeersbrug aan de weg naar Arnemuiden, is ontstaan op de inmiddels afgegraven oostelijke dijk van de oude Arne.

Dit negentiende-eeuwse kanaal heeft in de tegenwoordige tijd zijn betekenis zo goed als verloren. Het was ooit bedoeld om in Arnemuiden de visserij in leven te houden en tevens het aan het eind van de westelijke aftakking gelegen piepkleine landbouwhaventje van Nieuwland. (afb. 8a) Het kanaal verloor echter al snel zijn functie aan het weg- en spoorvervoer. De Arnemuidse vissers vertrokken naar Vlissingen. Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw voeren op ‘vlaggetjesdag’ nog versierde kotters door het kanaal, maar ook die traditie is doodgebloed. Het kanaal leek in 1995 de doodsteek te krijgen, doordat de vroegere spoorbrug, die aan het einde van zijn levensduur was, moest worden vervangen. De Nederlandse Spoorwegen drongen daarbij aan op een vaste brug, waardoor scheepvaart niet meer mogelijk zou zijn. Onder andere door verzet vanuit de bevolking gingen de autoriteiten overstag en werd de oude brug door een nieuwe – ook beweegbare – brug vervangen. Zo zijn we terug waar we begonnen, bij het heden en het tamelijk roemloze restant van de waterloop waarmee Middelburg vanaf de vroegste historie met open zee was verbonden.

Hubert Leeman


Middelburg






Terug