Op website In tijdschriften De Wete
Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren Heemkundige Kring Walcheren
Heemkundige Kring Walcheren Je komt 'een berg' te weten
Heemkundige Kring Walcheren Om door een ringetje te halen
Heemkundige Kring Walcheren 'Steengoede' artikelen over 't Walcherse heem

De 'Blijde incomste' van Karel V in Middelburg (1515)



Vijftien jaar was Karel V toen hij op dinsdag 5 januari 1515 in Brussel tijdens een grootse plechtigheid meerderjarig werd verklaard. Zijn vader, Filips de Schone, was overleden en zijn moeder was krankzinnig verklaard. Zijn opa van vaderskant, Maximiliaan van Oostenrijk, had het initiatief genomen om de jongeman in te schakelen in het bestuur van wat een wereldrijk ging worden. Hoge edelen en vertegenwoordigers van steden en gewesten waren bij deze plechtigheid aanwezig. Ze wisten ook dat de prins de weken en maanden daarna door hen ontvangen moest worden. Karel zou zich immers vanaf dat moment gaan presenteren en duidelijk maken bij wie uiteindelijk het gezag lag. In eerste instantie zou hij dat doen in Brabant, omdat hij daar hertog was, dan als graaf in Vlaanderen en vervolgens in Zeeland en Holland. Daarna kon hij weer terug naar Brussel om te groeien in zijn rol.

 

Blijde Incomste

In het voorjaar van 1515 kon Zeeland zich voorbereiden op de feestelijke ontvangst van de jonge graaf, de zogenoemde ‘Blijde Incomste’.

Het plechtig ontvangen van een nieuwe landsheer had toen al een lange traditie.[i] In een kleine eeuw was het verschijnsel van de ‘Blijde Incomste’ van een vorst in een stad of gewest uitgegroeid tot een combinatie van een min of meer staatsrechtelijke gebeurtenis, een processie en een stedelijke manifestatie.[ii] De onderdanen bevestigden hun trouw aan de nieuwe heer, die op zijn beurt met een plechtige eed zwoer dat hij de rechten van een stad of gebied zou respecteren. Daarbij paste een ceremonie met kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders en wereldlijke autoriteiten in vol ornaat. Er waren genoeg historische en Bijbelse voorbeelden die als inspiratiebron dienden, zoals keizers en legeraanvoerders die van oudsher na een overwinning met een triomfale mars terugkwamen. En de intocht van Christus in Jeruzalem, weliswaar op een ezel, maar voor wie het volk juichte en palmtakken en mantels op de weg legde en Hosanna riep omdat ze in hem een koning zagen.

De manier waarop een nieuwe vorst zijn entree maakte, had veel weg van een processie. Toen bijvoorbeeld Filips de Goede zich in 1440 voor het eerst in Brugge kwam tonen, waren er op stellages stille scènes – tableaux vivants – te zien die vrijwel identiek waren aan de scènes  die tijdens de Bloedprocessie werden getoond.

De inhuldiging van een nieuwe graaf van Zeeland vond doorgaans plaats in de Middelburgse abdij. Karels vader Filips de Schone echter werd op 6 november 1496 eerst gehuldigd in Reimerswaal. De dag daarop ging hij met het hele gezelschap alsnog naar Middelburg, waar een week later de officiële ceremonie plaatsvond.[iii]

Na de dood van Filips de Schone in 1506 lag het bestuur in handen van Karels tante Margaretha van Oostenrijk, tot Karel, de troonopvolger, meerderjarig was. Zij had in 1507 in Middelburg haar intrede gedaan. Toen was het in de introductiefase deels verkeerd gelopen, want bij de begroeting met saluutschoten was het buskruit in het admiraalsschip geslagen. Daardoor waren er mensen gewond geraakt en gestikt.

In het voorjaar van 1515 was de jonge Karel aan de beurt om zich te presenteren. Nog voordat hij langs de Brabantse steden ging, had hij in februari zijn intrede in Antwerpen gedaan. Daarna begaf hij zich onder andere naar Leuven. Vervolgens trok hij als graaf van Vlaanderen naar Gent. Op 18 april 1515 maakte hij in Brugge zijn triumphante et solemnelle entrée. Van Brugge ging hij naar Sluis. Daar scheepte hij zich met zijn tante Margaretha en hun gevolg in met als bestemming Middelburg.[iv]

Aan de overkant

Het verslag over Karels aankomst begint zo: “Op Maandag 14e dag van Mei 1515 na den noene, deed hertog Karel, prins van Spanje, aartshertog van Oostenrijk, zijn blijde en eerste inkomst binnen deze stad van Middelburg en werd gehaald triumphelijk met vele schepen, booten, roeibaardsen en galjoten, zoo van deze stad, als van Goes, Reimerswale en Veere en zijn persoon kwam in de groote galjoot van mijnheer van Beveren …” Dat was Adolf van Bourgondië, heer van Veere.

Karel was dus in de haven bij Arnemuiden aangekomen en gelet op het type schip – namelijk de galjoot, een zeewaardige platbodem met twee of drie masten, breed van boeg en achterschip – zal hij daarmee vanuit Sluis zijn gekomen. Het schip kon natuurlijk niet zeilend via de Arne naar Middelburg. Het werd dus getrokken of gesleept. Het vorstelijke vlaggenschip werd vergezeld van vele boten, onder meer roeibarges, uit Middelburg, Goes, Reimerswaal en Veere. Op de noordelijke dijk langs de brede bedding van de smalle Arne liepen de drie schutterijen mee. Dat zullen de hand- en voetboogschutters en de kolveniers zijn geweest. Verder werd het flottielje vanaf Arnemuiden langs de kronkelende Arne vergezeld door veel personen met brandende toortsen.

In Middelburg meerde de galjoot met Karel aan boord aan, na de twee steigers buiten de Noorddampoort te zijn gepasseerd, en werd Karel op de kaai als eerste verwelkomd door de prelaat. Op dat moment was dat Pieter van der Kapelle, abt van 1499 tot 1518. Vervolgens overhandigde Ewout Lievensz, de baljuw van de stad, de jonge landsheer de roede van justitie. Namens het stadsbestuur gaf burgemeester Jacob van Domburg, telg uit het Middelburgse patriciaat en familie van Walcherse ambachtsheren, hem de sleutel van de stad.[v] Symbolische handelingen natuurlijk, Karel gaf ze dan ook direct terug. De heren waren daar uiteraard omringd door de wereldlijke en geestelijke hoogwaardigheidsbekleders van de steden en het gewest. Op enige afstand stonden de schutters, vertegenwoordigers van de ambachtsgilden en naar we mogen aannemen ook nieuwsgierige Middelburgers en wellicht kijklustigen uit de omliggende parochies. In processie liep het gezelschap vervolgens ongeveer vanaf de Dampoort aan de noordzijde van het water in de richting van de Gistpoort. We weten niet hoe het er op die 25e september in 1506 uitzag, maar misschien liep Karel onder een draaghemel. Vele jaren later liet de oude Karel zich met een draagstoel vervoeren, toen leed hij aan zwaar reumatische aandoeningen.

In 1515 was het havenkanaal dat de toegang via de Arne zou vervangen nog niet aangelegd. De bebouwing langs de huidige Rotterdamse Kaai en de Dam dateert voor het grootste deel uit de achttiende eeuw. De oudste kaart van Middelburg heeft Jacob van Deventer in 1545 getekend, zie afbeelding op pagina ##. Daarop is het havenkanaal dat tussen Arnemuiden en Rammekens eindigde uiteraard wel weergegeven (het werd in 1535 geopend) en is de Arne buiten de stad afgesloten. Als we Karel V van de Dampoort naar de Gistpoort laten lopen en vervolgens met zijn illuster gezelschap via het centrum over de Markt naar de abdij laten wandelen, moeten we afstand nemen van de zeventiende- en achttiende-eeuwse bebouwing. Op het eerste deel van de route langs de oude haven naar de Giststraat zullen er nog veel open plekken zijn geweest. Ook is na 1515 het stratenpatroon hier en daar gewijzigd.

Route

Een beetje ommegang kon niet zonder toneel en om niet achter te blijven bij andere steden behoefde de eerste entree van een nieuwe heer in een stad of graafschap enig theater. Daarom had ook Middelburg langs de route gezorgd voor divertissement, een feestelijk decor en een passende presentatie.

De wandeling vanaf de aanlegsteiger moest eindigen in de abdij, waar Karel in het ’s Gravenhof zou overnachten (zie afbeelding). De eerste etappe zal in de voorbereiding weinig discussie hebben gekost: van de Dampoort naar de Gist- of Blauwpoort. Niettemin doet zich daar al een probleem voor. De plaats waar het vierde toneel vertoond werd, wordt in de rekeningen aangeduid als “bij de kaak”. Een kaak was de plek waar criminelen op een verhoging te kijk werden gezet, vergelijk de uitdrukking ‘aan de kaak stellen’. Het woord kaak is in deze betekenis verdwenen ten gunste van schandpaal en schavot. Waar de kaak zich precies bevond is onduidelijk, mogelijk ongeveer waar de oude haven eindigde, want de volgende scène speelde zich af op de hoek van de Giststraat.

Daar deed zich nog een probleem voor. In de (niet originele) tekst staat dat de hele route voorzien was van “baliën”: “… en komende binnen de [Noorddam]poort waren daar baliën gemaakt op beide zijden, daar de processie en O[nze] G[enadige] H[eeren] tusschen door gingen en aan de baliën over beide zijden, van staket tot staket, die op omtrent 6 voeten stonden d’een van d’ander een persoon met een brandende toorts in de hand …” Misschien moeten we ons die baliën voorstellen als een hekwerk, een palissade, zeker in relatie met staket[sel].[vi] In ieder geval stond er om de twee meter iemand met een brandende toorts. Daarmee is nog niet alles opgehelderd wat betreft de route, want hoe liepen ze nu precies bij of beter na de Giststraat? In de tekst staat “voorbij den anker, door den Langendelft, over de Markt, over de Burcht, tot vast aan de Kloosterpoort”.

Aan het eind van de Giststraat bij de poort bevond zich een brouwerij, waaraan nu nog de naam Den Anker op het grote huis links van de poort herinnert (zie foto), waardoor de Gistpoort weleens ‘ankerpoort’ wordt genoemd.[vii] Het cortège zal tot de abdij zijn gelopen en daar linksaf over de Wal zijn gegaan in de richting van de Lange Delft. Hoe het stratenpatroon daar omstreeks 1500 was, is vaak onderwerp van onderzoek geweest, maar daar mengen we ons niet in. De jonge graaf heeft op de hoek van de Wal een tableau gezien en eveneens een in de Lange Delft op het hoekje van de Segeersstraat en bij de Sint Janstraat. De hoogwaardigheidsbekleders vervolgden hun weg naar de Markt en zijn rechtsaf de toenmalige Burcht ingegaan, die naar de abdij leidde. Ze kunnen de poort aan de Balans genomen hebben, maar het rondje door de stad eindigde in elk geval na dertien Bijbelse taferelen in het koor van de abdijkerk: “En alzoo zijn al de processiën Onze Genadige Heer en Onze Genadigde Vrouwe Margriet, zijne moei en voor andere groote heeren gegaan tot in het koor der Abdij en aldaar onze Heer God gedankt en geloofd. En daarna is O.G.H. en vrouwe Margriet gaan logeeren binnen de Abdij.”

We weten bij benadering wat de jongeman in de dagen daarna heeft gedaan, maar dat doet hier niet ter zake. Pas op woensdag 23 mei was ’s morgens de plechtigheid in de abdijzaal waar de hoge vierschaar gehouden werd. [viii] Ongetwijfeld waren de Staten van Zeeland, in die tijd met de abt als voorzitter, aanwezig als vertegenwoordigers van de ‘goede’ steden Middelburg, Zierikzee, Reimerswaal, Tholen en Goes, en van de ambachtsheren.

Er bestaat een korte impressie van het moment suprême, toen de jongeman blootshoofds recht voor zijn stoel stond, die bedekt was met een gouden laken. De eed werd voorgelezen door Andries Andries, rentmeester van Zeeland Bewesterschelde. Zoals de formele term luidt, werd van beide partijen de eed gestaafd, bekrachtigd. Na de eden ging Karel een treetje lager staan om drie Middelburgers, onder wie burgemeester Jacob van Domburg en de rentmeester, tot ridder te slaan.

Vervolgens ging het gezelschap naar het stadhuis. Langs de route en op de Markt, waar toen nog de Westmonsterkerk stond, bevond zich een grote menigte en “ontellijk volk”.

In de raadkamer van het stadhuis was een podiumpje gemaakt tot de hoogte van de zitbanken, bedekt met geel laken. Daar stond de Genadige Heer terwijl de baljuw de eed voorlas:

 

“Dat zweert Gij gerechtig landheer in Zeeland te wezen, der heilige recht en der stad van Middelburg recht te houden, te stijven en te sterken, weduwen en weezen te beschermen voor onrecht, alle handvesten, keuren en privileges, rechten en goede costumen, die uwe edele voorvaderen, koningen en koninginnen, hertogen en hertoginnen, graven, gravinnen en bezitters ’s lands van Zeeland, de stad van Middelburg gegund, gegeven en geconfirmeerd hebben, daarvan zij in tijden van wijlen hertogen Philips, Karel en Philips, koning van Castilië uwe voorvaderen zaliger gedachten gebruikt hebben, die te houden, te stijven, te sterken en te confirmeren en bezegelde brieven daarvan te geven, onder uw zegel. Dat zult Gij niet laten om geenerhande zaken. Alzoo moet U helpen en alle heiligen.”

 

Daarna legde de stad haar eed af.

Straattoneel

Wat het theatrale gedeelte betreft, moest vooraf een keuze gemaakt worden: voeren we hier en daar korte toneelstukjes op of gaan we voor tableaux vivants.[ix] Een toneelstukje met sprekende spelers zou natuurlijk leiden tot vertraging bij de rondgang. Bij de keuze voor een statische scène was er nog een dilemma: moest het een tableau vivant worden met echte personen of met geschilderde, afgebeelde figuren, eventueel met naambordjes of verklarende teksten. Hoewel er genoeg bekend is over inkomsten in andere steden, waar allerlei varianten voorkwamen, hebben we daarover voor Middelburg geen informatie. Wat we wel weten is wát er te zien was en wáár.

Op eenvoudige stellages, in de stadsrekeningen schavotten genoemd, werden Bijbelse scènes uitgebeeld, allemaal ontleend aan het Oude Testament.

(1) Net buiten de Noorddampoort tegenover de steiger waar Karel uit de galjoot klom, was het tafereel te zien van Adam en Eva in de Hof van Eden.[x] Die paradijsscène is tamelijk traditioneel. Ze werd als tableau vivant ook uitgebeeld tijdens een feestelijke ontvangst in Brugge in 1468.[xi]

(2) De tweede locatie was voor de Noorddampoort. Daar was David te zien die als held werd gevierd na zijn overwinning op Goliath. Het verhaal wordt verteld in 1 Samuel 17. David is een jonge schaapherder, geen krijger, maar omdat niemand tegen de reus Goliath durft te vechten neemt hij het op zich. Op het toneel in Middelburg werd niet het gevecht afgebeeld, maar de nasleep waarin David het hoofd van Goliath naar Saul brengt en als overwinnaar wordt gefêteerd “met tamboerijnen, met blijdschap en met muziekinstrumenten terwijl de vrouwen huppelen en in beurtzang zingen: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!” Hierdoor wordt David voor Saul een bedreiging.

(3) De volgende plaats waar een scène werd uitgebeeld, is niet met zekerheid te lokaliseren. In de tekst staat “binnen de poort tegenover ’t huis van Willem Lepel”. We nemen aan dat het voorbij de Noorddampoort was. Bijbelkenners zullen op de stellage de passage uit 1 Samuel 15 met David, Nabal en Abigaïl herkend hebben. David is op de vlucht voor Saul en stuurt mannen naar Nabal om voedsel te vragen. Deze weigert, waarop David reageert door met vierhonderd man op te trekken om Nabal te doden. Nabals vrouw Abigaïl hoort dit en brengt eten naar David en weet hem ervan te overtuigen om geen wraak te nemen. Nabal overlijdt op min of meer natuurlijke wijze en David huwt Abigaïl.

(4) De plaats waar het vierde tafereel ‘speelde’, wordt aangeduid als “bij de kaak”. Als we de route langs de noordzijde van de Dam volgen, moet daar ergens uitgebeeld zijn wat in het tweede boek Samuel, het twintigste hoofdstuk staat. Daar wordt Amasin door Joab vermoord. Het is een ingewikkeld verhaal, dat begint met de opstand van Absalom, de zoon van David, en uitmondt in twist en tweedracht, moord en wraak. Wie het precies wil weten, leze 2 Samuel 19 en verder.

(5) Op de hoek van de Giststraat was te zien hoe Salomo zijn moeder Bathseba aan zijn rechterzijde laat plaatsnemen (1 Kon. 2:19-25). Ze wil eens met hem praten, want er is een behoorlijk conflict met Salomo’s oudere broer Adonia, die uiteindelijk het loodje legt.

(6) Aan het einde van de Giststraat aan de Kloosterpoort werd uitgebeeld hoe Joab op bevel van Salomo als wraak in de tempel werd vermoord, alles volgens 1 Koningen 2: De koning zegt “Steek hem dood en begraaf hem en neem zo het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.”

(7) Op de hoek van de Wal, bij het huis van Klaas de klompenmaker, werd het Salomonsoordeel getoond. Het is het bekende verhaal uit 1 Koningen 3, waarin twee hoeren ruzie hebben. Ze wonen in hetzelfde huis, waarvan we kunnen vermoeden wat daar gebeurt. Ze hebben beiden een zoon, van wie er een sterft. Zijn moeder verwisselt de kinderen en er ontstaat een conflict van wie de levende zoon is. “Vervolgens zei de koning: Breng mij een zwaard en de koning zei: Snijd dat levende kind in tweeën, en geef de helft aan de één en de helft aan de ander.” Het vervolg van dit rigoureuze Salomonsoordeel is bekend.

(8) Op de hoek van de Segeersstraat was het bezoek van de koningin van Sheba aan Salomo uitgebeeld, zoals opgetekend in 1 Koningen 10. De koningin heeft nogal wat over de wijsheid van Salomo gehoord en wil hem weleens op de proef stellen. Ze komt naar Jeruzalem met groot gevolg en vraagt Salomo van alles, maar niets is te moeilijk voor de koning, zo zegt de Schrift. Ze raakt overtuigd van zijn wijsheid en looft zijn hof en zijn God die hem op die plaats heeft gesteld “om recht en gerechtigheid” te doen.

(9) Op de hoek van de Lange Delft en de Sint Janstraat werd de inname van Jeruzalem en de gevangenneming van koning Jojakim en de profeet Daniël door Nebukadnezer vertoond. In de eerste kapittels van het gelijknamige Bijbelboek wordt beschreven hoe Daniël en zijn metgezellen in Babylon terechtkomen.

(10) Rechts op de Markt werd uitgebeeld hoe koning Balthazar dineert met het zilveren bestek dat hij uit de tempel heeft geroofd en hoe op de muur van zijn paleis de ondergang van zijn rijk wordt voorspeld. Alles na te lezen in Daniël 5, met de beroemde woorden mene tekel tekel ufarsin (‘geteld, geteld, gewogen en verdeeld’). Op dezelfde stellage ging trouwens de voorspelling al in vervulling. In een hoek van het toneel was een Bacchus te zien waaruit wijn klaterde. Fonteinen en ander spuitwerk waren geliefkoosde attributen in laatmiddeleeuws toneel.[xii]

(11) Op de Burcht, bij de woning van burgemeester Jacob van Domburg, zagen de toeschouwers hoe Susanna werd beschuldigd. Het smerige spelletje van twee oude rakkers en de mooie vrouw is te vinden in het apocriefe dertiende hoofdstuk (dat niet in elke Bijbelvertaling voorkomt) van Daniël. Deze scène is in de schilderkunst vaak afgebeeld. Susanna neemt een bad in een afgesloten deel van een tuin, maar wordt belaagd door twee oude rechters. Zij dreigen haar te beschuldigen van overspel als zij niet op hun voorstel ingaat. Als Susanna weigert, klagen de mannen haar de volgende dag inderdaad aan. De jonge Daniël, die zich in het publiek bevindt, gelooft in de onschuld van Susanna. Door de mannen onafhankelijk van elkaar te verhoren, toont hij hun leugens aan, waarna zij tot de doodstraf worden veroordeeld.

(12) Er stond ook een stellage bij de abdij, maar daarvan weten we niet wat er op te zien was.

(13) Het laatste podium stond bij de kloosterpoort. Daarop werd uitgebeeld hoe Darius, de koning der Meden, Daniël wil dwingen om Baäl te aanbidden, zie Daniël 6. Door valse hofdienaren wordt een oekaze uitgevaardigd dat niemand een andere god mag dienen. Wie niet gehoorzaamt, zal in de leeuwenkuil worden geworden. De wonderbaarlijke afloop is bekend.

Ten slotte

De Bijbelse taferelen in de vorm van ‘staande spelen’ zijn naar we aannemen opgediend als tableaux vivants, met of zonder zwijgende personages, mogelijk met naambordjes of andere teksten als toelichting. Ze hebben allemaal betrekking op de wijze en rechtvaardige koning, ondanks dat het verhalen zijn vol tweedracht, bloed en wraak. Opmerkelijk is dat op een enkele uitzondering na alle onderwerpen uit de Bijbelboeken Koningen, Salomo en Daniël afkomstig zijn. Natuurlijk werd Karel met deze vertoningen een spiegel voorgehouden: dit is hoe wij u zien, wat we van u als vorst verwachten. Dat David als jongeman het tegen Saul durft op te nemen, is niet zonder betekenis: Karel moet als vorst en legeraanvoerder zijn volk beschermen. Hij is in zekere zin de uitverkorene.

Het scenische geheel veronderstelt ‘een commissie’ met een behoorlijke theologische kennis. Het stadsbestuur was weliswaar de organiserende instantie, maar de geestelijkheid zal de keuze van onderwerpen hebben bepaald en hebben toegezien op de vormgeving. Het kan haast niet anders of de abt en zijn kanunniken hebben het stadsbestuur en de gilden een doorwrochte synopsis doen toekomen. Zelfs als de rederijkerskamer betrokken is geweest bij de uiteindelijke vertoningen, berust de reeks op een zo weloverwogen keuze en op zo’n serieuze kennis van de Bijbel dat de inbreng van de geestelijkheid hoogst waarschijnlijk is. Wie het beter weet, mag het zeggen.

Wat algemener geformuleerd: de heilsgeschiedenis vormde de weerslag van het verbond tussen God en de mensheid. Daarom leverde zij de juiste onderwerpen waarmee de stedelijke gemeenschap zich tegenover de vorst kon presenteren, “die immers ook van de goddelijke genade afhankelijk was en met wie de stad haar relatie eveneens als een pactum [overeenkomst] beschouwde”.[xiii]

Natuurlijk waren er door de stad, de ambachtsgilden en vaklieden allerlei kosten gemaakt. In de stadsrekeningen is te vinden hoe er werd afgerekend. Ook de rederijkers kregen “zooveel als de hoogste prijs”, hoewel ze in het verslag verder niet voorkomen. Daardoor weten we niet precies wat hun aandeel was in de voorbereiding en de vertoningen. De onderwerpen van de tableaux zijn in de rederijkersliteratuur vrijwel allemaal bekend.

Voor Middelburg zou de periode van Karel V uitermate belangrijk worden. Het privilege van de stad als stapelplaats werd uitgebreid, net als het rechtsgebied. Er kwam toestemming om het havenkanaal te graven, de binnenhaven werd vergroot en de stad werd aan de zuidoostkant – de huidige Kinder- en Korendijk – uitgebreid en versterkt.

Dat was natuurlijk niet de uitkomst van de ‘incomste’. Maar goede contacten zijn nooit weg en Karel zou nog verschillende keren Walcheren bezoeken.

[i] Vgl. de site https://nl.wikisage.org/wiki/Blijde_Inkomst voor vele blijde intredes.

[ii] Ramakers, Spelen en figuren, p. 167.

[iii] Henderikx, Geschiedenis van de norbertijner abdij, p. 60.

[iv] Volgens de kroniek van Reigersberch was het 16 mei.

[v] Henderikx, Geschiedenis van de norbertijner abdij, p. 34.

[vi] Vgl. Van Dijk, Openbare feesten, p. 106. In historische woordenboeken komt ‘balie’ verder voor als tobbe, kuip en het werkwoord ‘baliën’ als water scheppen.

[vii] De Graaf, d’Gulde Waereld, p. 48.

[viii] De term luidt ‘de vierschaar spannen’. De hoge vierschaar was de rechtbank voor het gebied buiten de steden. Middelburg had een eigen vierschaar.

[ix] Een tableau vivant is een zwijgende en statische uitbeelding van een Bijbelpassage, een historische gebeurtenis, een allegorie, een schilderij en dergelijke.

[x] Adam en Eva in het paradijs is een traditioneel onderwerp. Vgl. Ramakers, Spelen en figuren, p. 435; bijlage 3 en 4.

[xi] De Brugse inkomste van Margaretha van York in 1468 voor haar huwelijk in Damme met Karel de Stoute. Ramakers, Spelen en figuren, p. 173.

[xii] Pleij, De sneeuwpoppen, pp. 350-351.

[xiii] Ramakers, Spelen en figuren, p. 167.

Lo van Driel.


Blijde incomste






Terug